Inleiding

Stedelijkheid en moderniteit: verandering van substantie

Huub Dijstelbloem, Rob Hagendijk, Hans Harbers en Pauline Terreehorst

Instituties maken de stad

Zoals gebouwen de stad vormen, horen afzonderlijke instituten zoals het stadhuis, de rechtbank, de kerk en de universiteit bij de moderniteit. De scheidslijnen tussen kennis en macht, tussen staat en religie en tussen het persoonlijke en het politieke markeren de moderne orde. In steden zien we deze afbakeningen in aparte gebouwen en locaties terug. Ze zijn met eigen iconen terug te vinden op elke stadsplattegrond. Ze drukken gevestigde prak­tijken uit met lange tradities en eigen vormen van expertise, die specifieke publieken bedienen: slachtoffer, dader, gelovige, student, consument, pati­ent. Uitwisseling en communicatie over en weer is altijd mogelijk maar juist dan blijken de contrasten. De arts staat aan het bed en niet aan het altaar, de hoogleraar in de collegezaal en niet in de keuken, de bestuurder in het stad­huis en niet in de rechtszaal. De fysieke afbakening wordt in stand gehouden met een beroep op afzonderlijke vormen van expertise, macht, creativiteit, intimiteit, geloof en waardesferen. De mobiliteit mag toenemen maar de grenzen blijven bestaan.

Maar wat als de grenzen verschuiven of vervagen? Als de tafel van Pauw en Witteman als tribunaal naast de rechtbank opduikt, controverses op het inter­net over de veiligheid van vaccinaties naast debatten tussen wetenschappers een eigen leven leiden, beursgebouwen achter het beeldscherm verdwijnen en politiek getwitter het parlement inhaalt? Wat als de rechter, de agent of de winkelier als hoofdbewoner het gebouw verlaat en de institutie de praktijk niet langer herbergt? Wordt de stad – en daarmee de moderniteit – een open­luchtmuseum? Of is de institutionele leegstand slechts schijn en vinden deze praktijken elders een nieuw onderkomen?

Net zoals religie niet opeens is verdwenen als de kerken leeglopen, duiken politiek, recht, kennis en macht op andere, onverwachte locaties op en lei­den ze soms tot nieuwe vormen. Met terugwerkende kracht blijkt misschien wel dat de grenzen die de moderniteit stelde, lang niet zo waterdicht waren als werd verondersteld. Tot een spookstad waarin slechts geesten huizen die herinneren aan de instituties van weleer hoeft dat echter niet te leiden. Ook voor moeilijk grijpbare mengvormen kan nog huisvesting worden geregeld – desnoods bij het Leger des Heils.

Het effect dat deze verhuizingen sorteren is dat ze bestaande institutionele praktijken ter discussie stellen. Niet alleen omdat ze andere locaties de aan­dacht laten opeisen, maar ook omdat ze de aard van de institutie op de proef stellen. Wat zegt het over religie dat een kerk evengoed een parkeergarage in de Bijlmer kan zijn? Wat betekent het voor het strafrecht dat een gevange­nis ook een elektronische enkelband mag wezen? Wat impliceert het voor de beurshandel dat een gebouw plaats kan maken voor een digitale omgeving? Wat zegt het over onze vormen van communicatie dat de postkantoren na­genoeg verdwenen zijn? Door de verandering van plaats verschuift ook de betekenis die de institutie of praktijk oorspronkelijk had. De verplaatsingen en vertalingen die we hier bespreken betreffen niet slechts een metamorfose, zoals de rups die een vlinder wordt maar in essentie hetzelfde blijft. De ver­andering raakt de aard van het beest, zodat er eerder sprake is van wat in de katholieke leer een transsubstantiatie heet: een verandering van substantie, niet slechts van verschijningsvorm.

Sodom en Gomorra

In deze bundel gaan diverse auteurs op zoek naar wat er met deze ‘substantie’ is gebeurd: waar de politiek uit het stadhuis is gebleven en wat er van haar geworden is, hoe het warenhuis een bedrijfsverzamelgebouw werd en wat ‘winkelen’ tegenwoordig betekent en waarom het museum voor hedendaag­se kunst in het Midden­Oosten opduikt en wat dit zegt over de beeldende kunsten. Aan de hand van een analyse van iconische gebouwen laten enkele auteurs de barsten in het bolwerk van de moderniteit zien en beschouwen ze wat daarvoor in de plaats komt. Anderen nemen de schade op en gaan na of nauwkeurig pleisterwerk nog soelaas bieden kan. Voordat ze hun diagnose stellen nemen ze de lezer mee op hun wandeling door ‘de stad’.

In de sociale wetenschappen en de filosofie heeft ‘de stad’ al voor van alles en nog wat symbool gestaan. In al die gevallen waren techniek, wetenschap en vernieuwing nooit ver weg. Steden zijn centra van de macht. Het zijn ver­zamelplaatsen van handel en bedrijvigheid. Om niet in mensen en vuil te stikken moeten voortdurend ingewikkelde technische en bestuurlijke oplos­singen worden bedacht. Steden vervullen een spilfunctie in de toevoerroutes van geld, goederen en informatie. Architectonisch en cultureel schenken ze podia aan kunstzinnige uitingen. Intellectuele dwarsliggers, uitvinders en migranten met nieuwe inzichten en achtergronden treffen elkaar in de stad. Steden zijn culturele melting pots. Van heinde en verre trekken mensen er­heen om een bestaan te vinden, te winkelen, te leren of dingen te doen die God naar verluidt verboden heeft. Steden zijn ook spreekwoordelijk voor al­les wat met verval en onzedelijkheid te maken heeft. Sodom en Gomorra. De stad fascineert, intrigeert, ontroert en wekt verbazing. Iedere emotie of beschouwing krijgt er een expressie.

Vanaf het eind van de negentiende eeuw is de stad grofweg op drie verschil­lende manieren opgevoerd als uithangbord van de moderne samenleving. Om te beginnen figureert de stad als het tegendeel van het dorp en staat ze voor een modern­industriële manier van leven versus een traditioneel­ agrarische levensstijl. Steden drukken de moderniteit uit, de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft (Tönnies) of van een conscience commune naar een conscience collective (Durkheim) – dat wil zeggen van een samen­leving bijeengehouden door gedeelde waarden en normen, naar een maat­schappij gebaseerd op functionele arbeidsdeling en bijbehorende institutio­nele differentiaties.

Deze beschrijving van de overgang naar de moderniteit is echter tamelijk clichématig. Zij roept empirisch maar ook conceptueel nogal wat bezwaren op. Als William Cronon in Nature’s Metropolis (1991) de geschiedenis van Chicago beschrijft, maakt hij duidelijk dat alles wat de stad groot maakt (de handel, de markt, de beurs, de rails) innig verstrengeld is met het omringende land. Sterker nog, wie de sociale, economische, ecologische en infrastructurele relaties in kaart brengt, ontdekt hoezeer ze elkaars voorwaarde zijn. Zonder de verbindende bedrijvigheid zouden ze geen van beide kunnen bestaan. De moderniteit laat het land niet achter zich maar heeft er een nieuwe verhouding mee.

Dit opent de weg naar een tweede begrip van de stad. Als stad en platteland samen iets symboliseren, dan is dat niet zozeer twee verschillende, reëel bestaande vormen van samenleven, maar twee manieren van spreken. Ze dienen als twee verschillende conceptuele gereedschapskisten om het spel dat samenleven heet onder woorden te brengen. Ergo: het dorp kan met het stadsvocabulaire beschreven worden, en, omgekeerd, de stad met het dorpsvocabulaire.

Dat laatste, zo heeft De Vries (1999) betoogd, vormt precies de tekortkoming van de klassieke sociologie. Daarin wordt de stad nog te veel bekeken als een uit de hand gelopen dorp, een gemeenschap waarin normen en waar­den, gemeenschapzin, solidariteit en overzichtelijke verhoudingen verloren dreigen te gaan. Maar ook die moderne, industriële en postindustriële stads­samenleving wordt bijeengehouden door gemeenschappelijke kaders, zij het van veel abstractere aard. Wederzijdse afhankelijkheden worden nu gere­guleerd in contracten, wet­ en regelgeving, beroepscodes, convenanten, etc. Institutionele domeinen worden duidelijker gescheiden en uit elkaar gehou­den. Dat vormt ‘het kader, de context waarbinnen interacties tussen mensen inhoud krijgen’. Althans, op het oog.

Om de hedendaagse, technologische cultuur te begrijpen, aldus De Vries, doen we er goed aan het vocabulaire van het dorp en het dorpsperspectief in te ruilen voor dat van de stad. Om dat te bewerkstelligen, moeten we op zoek gaan naar de stedelijke ervaring. Daartoe gaat hij te rade bij de literatuur en wel bij James Joyce:

‘Joyce schildert de stad met haar eigen topologie, zonder daarbij op de achtergrond een eenheid te suggereren. Hij tekent een stad uit, geen getrans- formeerd dorp. [...] Ulysses toont de multipliciteit van de wereld. Joyce zoekt niet naar een essentie, noch naar een transcendentaal kader. [...] [Integen- deel], voor hem is de stad een tekst die gaandeweg gestalte krijgt, waarin oude fragmenten te vinden zijn die overlappen en elkaar doorkruisen, die vervormd worden en waarin gaten vallen die zeker zo veelzeggend zijn als de plaatsen die keurig geplaveid zijn (De Vries Zeppelins 1999: 209­210).’

Dit is in zekere zin wat ook Walter Benjamin deed, al observerend in zijn Passagen-werk. Wat zo vanuit de stedelijke ervaring ontstaat is een derde ma­nier om de stad te begrijpen: als een netwerk zonder achterliggende eenheids­logica, als een conglomeraat van praktijken dat permanent geproduceerd en gereproduceerd wordt, als een labyrint waarin heden, verleden en toekomst alsmede het lokale en het globale onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In de stad dringt het netwerkkarakter zich als vanzelf op. Zie het raster van auto­ en waterwegen, spoor­, metro­ en tramlijnen, busbanen en fietspaden. Waarom is dat zo aangelegd? Welke interacties en praktijken maken dat mogelijk – en welke onmogelijk? En hoe historisch gelaagd is dit stadsland­schap? In Hungry City (2008) laat Carolyn Steel zien hoe de stad kan worden ontrafeld door een specifiek element te volgen, voedsel in dit geval, om zo te tonen hoe sociale en culturele relaties en bedrijvigheid georganiseerd zijn rond één praktijk, het eten, die even oud is als de mensheid zelf.

Typerend aan deze derde manier om de stad te zien, als netwerk, is dat er geen Archimedisch punt bestaat om het geheel van verbindingen te zien. De stad, zo toont Bruno Latour in zijn Paris Ville Invisible (1998), valt alleen te ont­dekken als een systeem van verwijzingen: geen betekenisreferenties, maar materiële ketens die de buitendienst van de gemeente die de straatnaam­borden bevestigt verbinden met de stedelijke archieven en de ambtenaren en planologen die de naamgeving en de plattegronden bewaken. De stad is niet te reduceren tot haar kleinste samenstellende delen, noch holistisch te begrijpen als een bindend geheel, als een machine, zoals in de eerste experi­mentele stadsfilms uit de jaren twintig, zoals van Vertov, werd gesuggereerd. Tout chose est une société, schreef Gabriel Tarde, iedere eenheid veronderstelt organisatie en relaties. Vanuit dat amalgaam aan verbindingen ontstaat pas ‘de stad’.

Een stadswandeling

In deze bundel willen we de lezer uitnodigen een stadswandeling te maken om dit netwerk te verkennen. Maar naar wat voor stad willen we gaan? Is dat een concrete stad of een symbolische stad, een denkbeeldige stad, of een onzichtbare stad waarover Italo Calvino verhaalt maar die toch altijd Venetië zal zijn? Misschien moet die vraag vooralsnog niet beantwoord worden. Mis­schien moeten we eerst gewoon beginnen te lopen. We komen dan terecht op openbare pleinen, parken, cafés en restaurants, winkels, promenades, super­markten en meubelboulevards. Publieke en private plaatsen, die echter alle­maal min of meer toegankelijk zijn en die nog de uitdrukking vormen van het ‘openbare leven’ en de ‘publieke sfeer’. Maar die ook, zoals James Scott in Seeing Like a State. (1998) aan de hand van de stedelijke projecten van Hauss­mann en Niemeyer heeft aangetoond, een grondpatroon kennen dat soms minder neutraal is dan het doet voorkomen.

In onze rondgang stuiten we ook op gebouwen en plaatsen die zich juist lijken af te schermen van al te veel invloed van buitenaf. Hier wordt macht en ken­nis uitgeoefend, zoals genoteerd door Foucault, en worden specifieke functies vervuld in het kader van welomschreven doeleinden door daartoe opgeleide experts. Zo zijn daar o.a. de rechtbank, de universiteit, kerken en banken. Het zijn de materiële verschijningsvormen van de institutioneel gedifferentieerde moderne samenleving. Ieder instituut zijn eigen gebouw, met zijn eigen regels, eigen logica, eigen taal en rituelen.

Wat deze locaties en gebouwen doen, is grenzen stellen en grensverkeer re­gelen. Fysiek, in de zin van bereikbaarheid en toegankelijkheid, maar ook institutioneel: locaties organiseren kennis en macht. Er wordt vastgelegd en bewaakt wat wat is en wie daar over gaat. En wie niet. De gebouwen in de stad huisvesten daartoe specifieke vocabulaires, die sommigen in­ en anderen uitsluiten. In het café of in de tram kan vrolijk door elkaar heen gekakeld worden. Openbare ruimtes zoals pleinen kennen een specifieke architectuur, die ‘publiek spreken’ kan aanmoedigen of juist frustreren. In het ziekenhuis moet elk misverstand zoveel mogelijk worden vermeden. In de rechtszaal dient recht te worden gesproken. In de universiteit de waarheid. In het mu­seum viert kunstzinnige kwaliteit hoogtij. In de raadszaal bloeit het poli­tieke spreken. En alleen in de kerk buigen wij voor God. Gebouwen, kortom, begrenzen, in de dubbele betekenis van het woord: in positieve zin doen ze ons aan grenzen houden (schoenmaker blijf bij je leest; niet buiten de pot pissen), maar ze doen ons, in negatieve zin, ook op grenzen stuiten. Of beter gezegd: ze proberen grensovertredingen te voorkomen.

Institutionele grenzen zijn net als stadsmuren echter poreus. Dijkdoorbraken zijn in deze ‘stad’ aan de orde van de dag. Zie de verplaatsing van de politiek, de verwetenschappelijking van de samenleving, de medicalisering van ons bestaan, de vermarkting van de gezondheidszorg, verpersoonlijking van de politiek, de esthetisering van de natuur, de valorisatie van academisch onder­wijs en onderzoek, etc.

Wat betekenen deze grensoverschrijdingen voor de diverse instellingen? Wat zijn de gevolgen voor de professionals die er werken, de politici die er op steu­nen, de burgers die er gebruik van maken? En wat betekenen ze voor de stad zelf? Welke relaties ontwikkelen zich in die stad, welke nieuwe verhoudingen ontstaan er? Vormt ‘de stad’ nog een kader om deze veranderingen te begrij­pen en in samenhang te bezien? Of ontstaat er iets geheel anders uit deze netwerken, waarvoor de juiste woorden nog gevonden moeten worden?

Stadsgidsen

Het zal inmiddels duidelijk zijn: in de stad waarover we het hier hebben zal de argeloze bezoeker snel verdwalen. In deze bundel treden daarom bevoeg­de en onbevoegde stadsgidsen op. Zij zullen de stad in trekken om zowel de mentale als de materiële structuur te verkennen van de diverse gebouwen en de organisaties die ze herbergen. Ze zullen het drukke verkeer trotseren waarin van alles wordt getransporteerd. Welke ordeningen ontstaan daar­mee? Welke regimes van denken, spreken, oordelen en handelen maken zo­wel het bewegende verkeer als het verankerde institutionele kader van identi­teiten c.q. gebouwen en organisaties mogelijk? Welke transformaties vinden er plaats? Welke gevolgen hebben deze voor (de kwaliteit van) de diverse vor­men van spreken – politiek spreken, recht spreken, waarheid spreken, religi­eus spreken, medisch spreken? Welke grensverschuivingen zijn in het geding? Veranderen de grenzen tussen publiek en privaat, tussen natuur en cultuur, tussen kennis en politiek, tussen oud en nieuw, tussen jong en oud, of arm en rijk? En welke consequenties zou dat kunnen / moeten hebben voor die stad waarin wij onze rondgang maken? En voor de samenleving van de toekomst? Hoe ziet een aan die nieuwe omstandigheden aangepaste stad eruit? Moeten er locaties verdwijnen of bij komen, sommige gebouwen gesloopt, nieuwe gebouwd? Of gaat het meer om het herschrijven van het bestaande, om het tekenen van een nieuwe plattegrond, vanuit een ander perspectief, een ander vocabulaire? Is de stad een museum van voorbije gedachten? Of is het ons denken en ons spreken dat versleten is terwijl de vitaliteit van de stad al weer lang in nieuwe vormen tot uitdrukking komt?

Over deze en andere vragen gaan de bijdragen in deze bundel. Het soort ge­bouwen en instituties dat aandacht verdient is nauwelijks af te baken. Een bundel die aan alle aspecten van de moderniteit recht wil doen wordt al snel een encyclopedie. Enige selectie en afbakening is daarom noodzakelijk. De bijdragen in deze bundel kunnen onmogelijk een definitief en compleet ge­ven van alle instituties die op het spel staan. Die schijn van eenheid wordt ook vermeden. Wel streven ze ernaar de meest belangrijke processen te be­schrijven aan de hand van een overzichtelijk aantal iconische gebouwen die een betekenisvol aspect van de moderniteit uitdrukken. De lezer wordt uit­genodigd de gebouwen en praktijken die hij mist, zelf aan te vullen met eigen observaties en beschouwingen.

De gebouwen en de veranderingen die ze ondergaan worden in drie ‘stadsdelen’ gepresenteerd. Het eerste deel draagt als titel De openbare stad. Het bevat bijdra­gen die stedelijkheid en openbaarheid centraal hebben staan. ‘Openbaarheid’ komt op verschillende manieren aanbod. In het museum staat de openbaar­ heid voor de zichtbaarheid, de visuele kunst die in een semipublieke ruimte wordt getoond. Maarten Doorman beschrijft hoe de beeldende kunst uit het centrum van de stad verdween om op te duiken in Abu Dhabi. In het stadhuis behelst de openbaarheid het publieke karakter, dat van openbaar bestuur. Hans Harbers laat echter zien hoe het openbare bestuurlijke spreken een verhullende taal is gaan bezigen en hoe de politiek uit het stadhuis verdween. In de kerk staat de openbaring centraal en de rol die een religieus gebouw in de openbare ruimte speelt. Wim van de Donk en Joks Janssen beschrijven de veranderende plaats van de kerk in de stad en de verschillende manieren waarop vanuit katho­lieke kring daar op is gereageerd. Op het internet zien we openbaarheid als toegankelijkheid terug, een digitale publieke ruimte die nieuwe manieren van participatie opent. Noortje Marres betoogt dat er hier geen sprake is van ver­plaatsing, maar van een herverdeling van rollen. Die raakt vooral het klassieke sociaalwetenschappelijke onderzoek dat voorbehouden was aan de academische praktijk van de universiteit. Hoe al deze modaliteiten van openbaarheid op de een of andere manier een compositie vormen die nooit als geheel is te begrij­pen maar onmiskenbaar samenhang vertoont, zet Bruno Latour uiteen met behulp van ‘het plasma’. Latour betoogt dat de stad alleen schijnbaar teken­nen valt via Google Earth. Juist wat onzichtbaar is, is van belang.

Het tweede deel gaat over De bedrijvige stad. Het bevat bijdragen die de stad in actie tonen. Piet de Rooij laat zien hoe het politiebureau zijn plek in de stad veroverde en welke ontwikkelingen het oorspronkelijke hoofdkantoor door­maakte. Pieter Winsemius beschrijft hoe de stad als een complex netwerk kan worden beschouwd. Hij toont hoe de reizigers op het Centraal Station als vanzelf hun weg vinden in de georganiseerde chaos. Pauline Terreehorst laat zien hoe het warenhuis als vrijplaats voor vrouwen verdween, en de hele binnenstad van Europese steden het decor werd voor een activiteit die winke­len wordt genoemd, maar dat al lang niet meer is. David Hamers beschrijft de opkomst van de meubelboulevard aan de rand van de stad. Guus Dix en Pim Klaassen beschrijven hoe kennis, macht en markt zich tot elkaar verhouden in de geschiedenis van de beurs. Rob Hagendijk verdiept zich in de handel en wandel van de havenstad, de geheimen van het entrepotdok en de verplaat­sing van de zeevaart naar zandplaten voor de kust.

Het derde deel beschrijft De genietende stad. Genieten betekent hier vooral: eten, van de spreekwoordelijke vette bek tot haute cuisine. Maar daar blijft het niet bij, want het genieten is niet compleet zonder de oude genotmiddelen koffie, sigaar en sigaret. Huub Dijstelbloem laat zien hoe de markthal een renaissance doormaakt onder stedelijke bestuurders die het voedsel in de stad weer deel van de publieke beleving willen laten uitmaken. Jacques Bos beschrijft de transformaties die de restaurantcultuur heeft doorgemaakt. Michiel Leezenberg analyseert het koffiehuis als icoon van de publieke sfeer en laat zien dat deze locatie historisch gesproken altijd veel meer divers is geweest dan westerse filosofen hebben verondersteld. Annemiek Nelis gaat in op de heimelijke praktijken van de rookplek. Klasien Horstman ten slotte verleidt de lezer met een kroket uit de muur.

‘Stadslucht maakt vrij’, zo luidt het gezegde. Vrij om te bewegen, vrij om te genieten, vrij om te handelen en vrij om te denken. Veel van de gebouwen en locaties die oorspronkelijk onderdak boden aan specifieke vormen hier­van staan nog recht overeind. Zo staan de effectenbeurs en de Bijenkorf in Amsterdam nog gebroederlijk naast elkaar. Maar de bestemming ervan is in­middels gewijzigd: de digitalisering van de beurshandel is even veelzeggend als de transformatie van het fenomeen ‘winkelen’. Over wat dit precies bete­kent voor het denken over stedelijkheid en moderniteit kunnen nog boeken­ kasten worden volgeschreven. Maar wat duidelijk wordt is dat de stad zowel koploper als achterblijver is. Ze kan zowel worden gezien als een ‘museum’ van de traditionele moderniteit als dat ze een ‘huis van de toekomst’ is waar­in nieuwe ordeningsvormen zich als eerste manifesteren. Tegelijkertijd heeft het er alle schijn van dat ‘stedelijkheid’ niet langer noodzakelijk is verbonden aan ‘de stad’, zoals ‘modernisering’ paradoxaal genoeg niet langer ‘de moderniteit’ als referentiekader heeft: ze staat daar los van, als een echo van het oorspronkelijke geluid, maar vormt er wel de weerkaatsing van.

Gebouwen veranderen van functie, maar blijven staan. Locaties wijzigingen, maar blijven opduiken als iconen op de plattegrond. Macht, kennis, geloof, intimiteit, amusement: ze zoeken naar plaatsen, binnen oude en nieuwe or­deninsgpatronen. ‘Bestemming gewijzigd’ dus: stad en moderniteit fungeren als uitstekende plaatsbepaling van het vertrekpunt waartegen de huidige be­wegingen zich afspelen. Maar de routeplanner die de volgende bestemming aangeeft moet nog worden uitgevonden.