Het station

Pieter Winsemius

 

‘Dames en heren.’ De omroepster heeft altijd zo’n bijzondere stem. Er is duidelijk op geoefend, ik vermoed om de nagalm te beperken. Ik kom graag op stations. Ik bezoek de Free Record Shop en bestudeer mijn medereizigers. Vooral het Centraal Station in Utrecht is een doorlopende proeftuin van de vaderlandse doe­democratie. In het spitsuur bewegen zich daar duizenden doe­burgers die zonder enig overleg of instructie niet botsen. Als je daar een­maal op let, aanschouw je een wonder van zelfredzaamheid en vooral van een civiele samenleving.

Die civiele samenleving bouwt op tegenbinding; een begrip dat we leerden van de socioloog Kees Schuyt. In ons project Vertrouwen in burgers1 gingen we er mee aan de loop, zodanig dat mijn teamgenoten zich bezorgd afvroe­gen of de bedenker het nog wel zou herkennen. Het was ‘anders’ geworden, beaamde Schuyt, want oorspronkelijk doelde hij op de steunberen die de mu­ren stutten waardoor de romaanse kerken in Zuid­Frankrijk niet bezwijken onder het gewicht van hun zware daken. In stationstermen gaat het dus om de institutionele voorzieningen die de hal overeind houden. Wat wij er van maakten, waren de omgangsvormen van de mensen in die hal. Die hebben een gedeeld belang in hun gedeelde openbare ruimte: zo snel mogelijk van hun plaats van vertrek naar die van bestemming komen. Geen van hen heeft belang bij onnodige fricties: het kost tijd en bederft het humeur. Ze ‘regelen’ daarom het onderlinge verkeer met behulp van ongeschreven gedragsregels: er zijn geen ver­ en gebodsbordjes, geen verkeerslichten noch agenten die de orde bewaken.

Om te begrijpen wat tegenbinding in de praktijk vermag, trokken we voor ons project Vertrouwen in burgers door het hele land. We leerden drie lessen: (a) tegenbinding is van alle tijden, (b) tegenbinding is van alle plaatsen, en (c) tegenbinding vormt een prachtige uitdaging voor beleidsmakers, voor wie de stationshal een inspiratiebron kan zijn.

Spelregels

In zekere zin is er, zoals zo vaak, niets nieuws onder de zon: (ongeschreven) gedrags­/spelregels zijn van alle tijden. Volgens de historicus Johan Huizinga2 is spel – de tot wedkamp gereguleerde strijd – de bron van cultuur. Al spelend maken en handhaven spelers hun eigen regels. Die zijn bindend voor allen die willen meedoen. Dat spel kan heel serieuze vormen aannemen, ‘voor het echie’, zoals dat in het straatvoetbal heet. De geschiedenis biedt daarvan vele, soms zeer kleurrijke illustraties (zie kader)

Pas het laatste decennium durfden beleidmakers te bouwen op de principes van tegenbinding, vooral in het verkeersbeleid. Vroeger stonden we ’s nachts om half een stil voor een rood verkeerslicht omdat een ambtenaar dat zo had bepaald. Nu kijken we op een rotonde onze medeweggebruiker aan en is een handgebaar of hoofdknikje voldoende om onze voorrang te ‘regelen’. Met een betere doorstroming en minder schade als gevolg. De rotonde kreeg navol­ging. We werden gevraagd op de snelweg zonder formele spelregels te ritsen. In de gemeente Smallingerland, de thuisbasis van latere generaties De Vries, is ook veel verder geëxperimenteerd vanuit de Open Space gedachte. Bloem­bakken bleken op de provinciale weg tot een betere snelheidsbeperking te lei­den dan borden of snelheidscontroles. In 3B­woonbuurten – bruiden, buiken, baby’s – bleken speeltoestellen op eilandjes in het midden van de weg tot veel beter aangepast rijgedrag te leiden dan bordjes ‘Let op onze spelende kinderen’. Wegvernauwingen­zonder­voorrangsborden werken beter dan de klassieke ingebouwde s­bochten met hun geregelde voorrangen. De beleidsmakers in Drachten en omstreken leerden: maak het een beetje gevaarlijk zodat mensen uit een vorm van lijfsbehoud moeten nadenken. Dat vinden ze meestal niet prettig, het leven is een stuk eenvoudiger als je kan schuilen onder de vleugels van een overheidskloek, maar de resultaten zijn verrassend positief.

Onfatsoen in de openbare ruimte vormt een terugkerende klacht van bur­gers. In grote enquêtes, bijvoorbeeld de massale 21minuten.nl internetpeiling van een paar jaar geleden6, staat de normen­ en waardencrisis als zorgpunt onveranderlijk bovenaan, hoger dan de financieel­economische crisis. Als be­langrijkste kenmerken noemt men de afname van tolerantie en respect en de toename van verbaal geweld. ‘We’ weten eigenlijk niet zo goed wat we ermee aan moeten. Toch is, zoals politiek filosoof en bestuurskundige Herman van Gunsteren me laatst met een glimlach zei, fatsoen de regel en onfatsoen de uitzondering. Daarom storen we er ons ook aan. De politiek, het cda voorop, richtte zich in het spoor van communitaristen als Etzioni, Galbraith en Put­nam op de sociale cohesie – samenbinding – als Haarlemmer olie voor dit soort maatschappelijke vraagstukken. Fatsoen moest je doen: we moesten elkaar groeten, naar buurtbarbecues, mantelzorg bedrijven. Onze onderzoe­ken Vertrouwen in de buurt, Vertrouwen in de school en Vertrouwen in burgers7 plaatsten daarbij vraagtekens. We argumenteerden dat het antwoord voor maatschappelijk onfatsoen veeleer is gelegen in de tegenbinding tussen bur­gers die niets met elkaar hebben, anders dan een belang bij een civiele – ‘fat­soenlijke’ – invulling van hun samenleving. Uit de toevallige wisselwerking tussen individuen ontwikkelen zich in het algemeen nieuwe spelregels die elk van de spelers beheerst. En dat blijkt zowel in onze fysieke leefomgeving te gelden, als in de virtuele.

Bij het schrijven van een Fries Ridderboek maakte ik kennis met het fascinerende veterecht dat de Friese landadel nog in de vijftiende eeuw ‘hanteerde’.3 Na de fameuze Slag bij Warns van 1345 waar de Hollanders een soort reprise beleefden van de Gulden Sporenslag, (er)kenden ze geen Heer. Waar elders rond 1400 graven of hertogen met inzet van militaire macht de civiele omgang van hun edelingen regelden, gebeurde dat in Friesland pas een eeuw later. In het kader van de strijd om lokale hegemonie – van belang vooral om de doorvaart over de waterwegen ten eigen bate
te kunnen beïnvloeden – werden onder de vaandels van de Schieringers en Verkopers een brede collectie plaatselijke twisten uitgevochten waarbij de zogenoemde veteleiders zich sterkten met hun confraters van ‘buiten’, ongetwijfeld gedreven door de verwachting van een wederdienst als dat zo uitkwam. Zo’n beetje de hele vijftiende eeuw vochten de heren elkaar op deze wijze de tent uit.
Tegelijk was een ieder ook doordrongen van een gedeeld belang in de gedeelde ruimte: voor de maatschappelijke pikvolgorde en de daaruit voortvloeiende rust was het gevecht zinvol en het moest daarom ook een beetje civiel blijven. Om te voorkomen dat het ieder-voor-zich gevecht op een chaos uitliep en de maatschappelijke schade te groot werd, ontwikkelde zich een fatsoenscode, waar een beetje heer zich aan hield.
De belangrijkste was die van de openbaarheid. Een vete werd publiekelijk aangekondigd doordat een partij de vrede en vriendschap met de ander opzegde. Krijgshandelingen moesten ook voldoen aan kwaliteitsmaatstaven: geen gedoe met oneervolle ‘moord’ door vergiftiging en zo, maar eervolle doodslag. Het gebruik van geweld was ook aan regels gebonden: niet op bepaalde feestdagen bijvoorbeeld, niet binnen kerken en tijdens markten, en geestelijken, weduwen en wezen werden ‘vrijgehouden’. Maar het aardigste was het proces van verzoening: een ruzie moest bij voorkeur niet geheel uit de hand lopen en er waren dus mechanismes ingebouwd om een vete te beëindigen. Wraakoefening kon bijvoorbeeld worden afgekocht door het betalen van schadevergoeding. Bij een bemiddeling of verzoening werd de wederzijdse schade opgeteld en verrekend. Bovendien waren de veteleider en zijn verwantschapskring financieel aansprakelijk voor de daden van hun vetehelpers. Dat beperkte struikroverij in de marge van het hoofdgebeuren. Daarbij bestonden er ook ‘tarieven’ voor letsel en doodslag: edellieden waren ‘duurder’ dan voetvolk. Een speciale plaats was ingeruimd voor
het losgeld: het aantal slachtoffers werd beperkt doordat een gevangene afhankelijk van zijn status veel geld waard kon zijn. En als klapstuk waren er zo nu en dan de zoenhuwelijken.

Rond 1442 werd bijvoorbeeld een zoen onderhandeld waarbij vier hoofd- mannen van de Vetkopers, waaronder de fameuze Gale Galama en Jancko Douwama, gelijktijdig trouwden met vier Schieringse zusjes Harinxma. ‘Ende daer mede solden alle dingen gesoent ende gepeist wesen; dat also gedaen worde.’ 4 Ik stel me voor hoe dat zoenhuwelijk is verlopen. Allemaal vrouwen in hun mooiste gewaden en netjes opgedofte edelen, met onder hun wijde mantel de hand op de dolk. Romantiek van wereldklasse. Het viervoudige zoenhuwelijk had evenwel te weinig doorwerking. Een paar jaar later verwoestte de Schieringer Homme Hommema gesteund door de Harinxma’s, de stins van zijn Vetkoperse buurman Hessel Albada.

Homme huisde in de buurschap Morra ten noorden van Abbega.5 Al in 1422 wordt hij genoemd onder de Schieringer hoofdelingen, direct na de vier Harinxma’s: Sierk, Agge, Epe en Douwe. Hij was getrouwd met hun zusje Ymkje Harinxma en deed vermoedelijk dus ten volle mee toen weer een paar jaar later de vlam serieus in de pan sloeg in de zogenoemde Donia-oorlog. Zwager Sierk liet zes zoons na die zich, om de verwarring te vergroten, allen tooiden met de achternaam Donia. De zes neven gingen dus in de slag met hun drie ooms. Verwarrende tijden met mooie verjaarspartijen lijkt me. Toch leren die lang verleden voorvallen ons een les: het is mogelijk een civiele concurrentie te bevorderen langs de weg van een gedragscode. Een tweede is mogelijk nog relevanter: als er iets waar is van de doorwerking van genen, dan vormt dit de basis voor de civiele omgang die ik mocht ervaren met een diepgewortelde vrijdenker als Gerard de Vries. Homme Hommema en Ymkje Harinxma zijn zijn rechtelijn voorouders.

Civiele omgang in de openbare ruimte

Iedere gemeenschap kent omgangsregels die pas echt duidelijk worden als iemand zich er niet aan houdt: dat geldt als ‘onfatsoen’. Verstandige onder­handelaars laten op de markt of in de politiek altijd iets ‘op de tafel’ voor de ander, zodat die ook met een goed verhaal thuis kan komen en een volgende keer graag terugkomt. Ongeschreven regels schrijven buurtgenoten gewenst gedrag voor. Je groet elkaar en dient je tuin netjes te onderhouden. Oudere buren hebben ‘recht’ op meer rust en vaker hulp; jongere worden eerder uit­ genodigd voor een tuinfeest. Er zijn ook regels om ongewenst gedrag tegen te gaan. Je dient bijvoorbeeld geen vuilnis in het trappenhuis te zetten, of was­goed voor het balkon van de benedenburen te hangen. In het verkeer is het niet wezenlijk anders. Bij het passeren van fietsende moeders met kinderen houden we meer afstand dan wettelijk voorgeschreven; spelende kinderen vertaalt zich in langzamer rijden.

Zoals de bekende bestuursfilosoof Johan Cruijff al zei: ‘Toeval is logisch.’ Spe­ciaal in de fysieke leefomgeving kan het proces van de toevallige ontmoeting worden bevorderd door gericht beleid. Niet buurtbarbecues met hun georganiseerd contact maar juist de toevallige, dagelijkse ontmoeting bij een buurt­super of een schoolhek kan het civiele gemak teweeg brengen. De gemeente Den Haag mag bijvoorbeeld worden geprezen voor het convenant dat het sloot met Ahold, waarbij werd afgesproken dat in elke Vogelaarwijk die op de schop ging, het bedrijf een supermarkt zal (her)plaatsen. Zo’n supermarkt trekt aan­loop en stimuleert daardoor civiele omgang. Het is daarom teleurstellend dat er nog steeds sprake is van strijdende architectenscholen, waarbij – ter vereen­voudiging – veelal Le Corbusier tegenover Jane Jacobs wordt gesteld. De eerste school gaat zwart­wit gesteld uit van de esthetiek van de gebouwde omgeving waarin de factor mens als het ware als een stoorzender fungeert. Zij leggen ons heel grote ontwerpen voor waarin, naast de altijd ingeschetste naargees­tige boompjes, nietige mensjes figureren. Wie ooit door La Défense in Parijs heeft gelopen, herkent de vervreemdende ervaring. Jane Jacobs daarentegen tekent hele grote mensen in een rommelige omgeving met korte lijnen en veel bochten. Ze scharrelen daar door heen, met veel kans op toevallige maar ook welgevallige ontmoeting. De strijd is ook in Nederland nog geenszins gestreden. Tijdens een lezing vertelde een toparchitect van zijn baanbrekende ontwerp waarbij noch omwonenden noch aanstaande gebruikers werden ge­raadpleegd. Ze zouden het vermoedelijk toch niet begrijpen.

De openbare ruimte moet uitnodigen tot civiele omgang.8 Een ieder heeft het verschil ervaren tussen overzichtelijke, lichte parkeergarages­met­muziek­ en­camera’s en donkere, onoverzichtelijke ruimtes die solliciteerden naar een decor­rol in een gangsterfilm. Blinde garageboxen onder flatgebouwen vor­men geen favoriete passages op avondlijke wandelingen. Wie in Rotterdam het Afrikaanderplein wil bezoeken, midden in een Vogelaar­plus­pluswijk, wordt bij de entree verwelkomd door een bordje ‘verbod tot samenscholing’. Ik kon de gemeentelijke bestuurderen complimenteren met het succes van hun beleid: daar loopt, als je het even kan voorkomen en het is geen markt, helemaal niemand. Ooit vertelde de oud­voorzitter van een buurtvereniging in de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam me zijn hartenwens: kunst op straat. Ik was verbaasd: was er niks groters? meeslependers? belangrijkers? Hij zei: ‘Er is hier helemaal niets.’ Kunst op straat daarentegen draagt bij tot een gezamenlijke eigenheid, zoals ook een tikje te mooie scholen of speelveld­jes en gastvrije parken dat doen. In het Rotterdamse Delfshaven was de G.K. van Hogendorpschool, door Trouw benoemd tot de beste vmbo van de stad, gevrijwaard van graffiti: het is ‘onze’ school. De Cruyff Courts, meestal niet gelegen in voorstandsbuurten, gelden als oases van veiligheid; op vijfhonderd meter afstand blijken de ‘normale’ cijfers weer te tellen.

Nieuwe spelregels voor sociale media

Uit de wisselwerking tussen individuen ontstaan in het algemeen nieuwe spelregels – zogenoemde emergente normen9 – die elk van de spelers be­heerst. Spelers veranderen hun gedrag zodanig dat hun kansen op overleving of succes worden vergroot – door leren of evolutie.10 Anders dan de Majes­teit vermoedde tekenen nieuwe spelregels / omgangsvormen zich het meest zichtbaar af op het internet, de sociale media en mobiele media. De grootste zonde binnen een online community is bijvoorbeeld niet de schending van eigendomsrechten maar die van normen over het geven van ‘credit’: mensen willen erkend worden vanwege hun bijdrage.11 Een typische internetregel: je mag je wel voordoen onder een andere naam, maar je mag je niet op hetzelfde forum verschillende namen aanmeten. Nederlandse discussiefora beschikken ook over een groot ‘zelfreinigend’ vermogen.12 Er gelden bijvoorbeeld duidelijke spelregels over welke bijdragen wel en niet worden geaccepteerd. Mensen fungeren vrijwillig als moderator en plaatsen reacties waarin ze aan­geven dat een bepaalde opmerking niet gepast is, of ze participeren niet lan­ger waardoor de kans groot is dat een ontsporende discussie doodbloedt.

De kampioenen onder de internetondernemers blijken beter dan hun con­currenten in staat om in te spelen op zowel het technische ict­aanbod als de behoeften en kwaliteiten van gebruikers. Hun ‘formules’ zijn van een grote eenvoud, maar bevatten ook een waarschuwing: wat gisteren state of the art was, is dat morgen met een goede kans niet meer. Vier lessen dringen zich op: beweeg mee met je gebruikers, vertrouw je gebruikers ook als producen­ten, probeer en corrigeer, en houd het eenvoudig. Toen wij deze basisformule destilleerden uit de snel groeiende vliegveldliteratuur, waren we verrast. Het was bijna dezelfde formule die ook naar voren kwam uit de complexiteitstheorie. De schitterende patronen van zwermen spreeuwen in het najaar zijn met behulp van eenvoudige instructies driedimensionaal na te bootsen op een computerscherm. Wetenschappers gingen ook in de leer bij de mierenwe­reld en leerden: het systeem als geheel is onbeheersbaar, maar er gelden wel degelijk spelregels die een vorm van ordening aanbrengen in de chaos. Maar het merkwaardige is dat tegenbinding in de complexe mensensamenleving als zodanig beperkt bestudeerd lijkt te zijn.

Ook in de virtuele leefomgeving liggen kansen, maar ditmaal zijn het de beleidsmakers die kunnen leren van de ‘toevallige ontmoeting’ met miljoe­nen gebruikers van internet en sociale media. Begrippen als crowd sourcing en open innovatie doen steeds meer opgeld. De basisvoorwaarde daartoe is een betere toegang tot informatie, zeker wanneer beleidsmakers besluiten om bepaalde verantwoordelijkheden over te dragen aan (groepen) burgers, doe­burgers. Burgers ontwerpen toepassingen die niet achter een bureau te verzinnen zijn. Die levende vorm van doe­democratie is ‘lastig’ en de onbe­heersbaarheid van een groot deel van de virtuele samenleving plaatst de hi­erarchieën van beleidsmakers en – uitvoerders voor een enorme uitdaging.13 Een gefundeerd tegenspel is ook ‘lastig’ voor ondernemers die steeds meer verantwoordelijkheden voor de publieke zaak op zich dienen te nemen.14 Het is een vraag waar de wrr zich de afgelopen jaren intensief mee heeft bezig gehouden: hoe inhoud te geven aan een civiele samenleving waarin normen en waarden zich kunnen aanpassen op de virtuele omgang?

Doe-burgers

Doe­burgers blijken in de veelvuldige één­op­één wisselwerking met ‘ver­trouwde vreemden’ 15 tot veel bereid en in staat. Ze beschikken bij hun toe­vallige ontmoeting over voldoende informatie van elkaar zonder elkaar persoonlijk te kennen.16 Wanneer mensen elkaar niet uit het oog verliezen en zich bewust zijn van elkaars aanwezigheid, vervreemden ze niet van el­kaar en voelen ze zich meer geborgen in elkaars gezelschap.17 Zelfs in kwets­bare buurten neemt de omgang civiele vormen aan als er sprake was van een terugkerend dagelijks contact tussen mensen in een gedeelde ruimte. ‘Ande­ren’ worden voorspelbaar en dat vormt de basis voor een wederzijds vertrou­wen. De toevallige ontmoeting resulteert daardoor na verloop van tijd in een verwachting van veiligheid en zelfs geborgenheid.

Is het echter een taak van ‘de overheid’ om tegenbinding te bevorderen? Is dit nu juist niet bij uitstek het niemandsland dat burgers zelf dienen in te vullen? Velen plaatsten vraagtekens bij de overheidscampagnes over fatsoen­dat­je­ moet­doen en korte lontjes die juist onwenselijk zijn. Het zijn nauwe marges waarbinnen beleidsmakers zich moeten bewegen. Een ‘ongemakkelijke’ om­geving zoals een verkeerd park of – ook erg – een ’s avonds desolate kantoor­ wijk leiden tot griezelige vreemden. Een te gemakkelijke omgeving met veel ordebewakers bevordert ook niet de civiele omgang want die wordt door de sterke hand bewaakt. Ergens er tussen in zit de beetje gevaarlijke omgeving die uitnodigt tot nadenken, maar dan zijn er ook prachtige mogelijkheden voor effectief en efficiënt beleid waarbij de stationshal als een herkenbare en inspirerende proeffabriek kan dienen.

Steeds als we in speeches probeerden de essentie van tegenbinding uit te leggen, knikten mensen met ons mee: ze begrepen zonder te begrijpen. Het Centraal Station in Utrecht bracht echter een onmiddellijke blik van herken­ning teweeg: tegenbinding is geheel vanzelfsprekend als uitgangsprincipe voor een gedeelde ruimte waar grote menigten door elkaar bewegen met slechts zelden een botsing. De stationshal is bij uitstek de plek van de één­op­ één verbinding zonder formele spelregels: als we daarover nadenken, is ieder van ons blij verrast over de bekwaamheden van zijn medeburgers, dit vrijwel ongeacht rangen en standen. De studie van loopstromen op stations, zo leer­de ik bij ns Stations18, blijkt echter een relatief nieuw en weinig bestudeerd gebied te zijn.19 De civiele omgangsvormen kwamen pas een jaar of twee, drie geleden op de agenda door de sterke toename van het aantal reizigers. Ter illustratie: het cs Utrecht trekt nu circa 160.000 reizigers per dag tegenover zo’n 80.000 ten tijde van de bouw rond 1980. Speciale aandacht gaat uit naar de veiligheidsvraag ten gevolge van de grotere drukte, de ombouw van stati­ons, en de verwerking van grote evenementen (van oudsher Koninginnedag, maar inmiddels ‘gemeengoed’, mogelijk als gevolg van sociale media: denk aan Lowlands, huldiging Olympiërs in Den Bosch, etc.).

Van oudsher gelden er vuistregels voor het voetgangersverkeer.20 Mensen hebben bij voorbeeld een persoonlijke bufferzone. Op een kleine vier meter afstand vormen ze een cirkel van betrokkenheid c.q. kwetsbaarheid. Ze laten meer ruimte voor ‘potige’ types, voor stellen en groepen, en voor senioren en gehandicapten. In het algemeen bewaren zowel mannen als vrouwen een grotere afstand tot mannen. Pas bij minder dan twee vierkante meter per per­soon passen ze hun snelheid aan op de drukte, bij minder dan een halve vier­kante meter vertragen ze naar een ongemakkelijke schuifel. Belangrijk voor de tegenbinding: bij een vrije ruimte beneden de anderhalve vierkante meter per voetganger is de kans op botsingen groter dan tachtig procent, bij een ruimte boven de drie vierkante meter is die kans minder dan twintig procent. Oudere mensen lopen 25 procent langzamer een trap op dan jongere, maar waarom speciaal jonge mannen ruwweg 70 procent sneller afdalen, heeft me steeds verbaasd. De uitleg is simpel: ze durven de zwaartekracht te gebruiken, terwijl vrouwen en senioren die juist vrezen.21 Mensen blijken ook kuddedie­ren: ze volgen, zelfs in geval van nood, de massa. Ze zijn ook gewoontedieren: ingesleten paden worden meestal niet snel verlaten, ‘sluiproutes’ die ten tijde van drukte hun nut hebben bewezen, krijgen ook op rustige momenten vaak de voorkeur.22 Er zijn ook ervaringsfeiten: uiteenlopende snelheden leiden tot opstoppingen, de complexiteit van het vinden van civiele oplossingen wordt te sterk vergroot als persoonlijke bufferzones te vaak in het gedrang komen. Vooralsnog heeft de studie van loopstromen een sterk bètakarakter: het onderzoek richt zich op het in kaart brengen van de bewegingen met behulp van camera’s, bluetooth, warmtemeters, etc. Toch beginnen zich de contou­ren af te tekenen van de te beantwoorden vragen en een eerste aanzet voor de gammaoplossingsrichtingen. Video­opnamen van bovenaf onthullen patronen. De persoonlijke bufferzones worden zichtbaar in ontwijkend ge­drag. Mensen maken zich smal door zich een kwartslag te draaien. Door zo­als trekvogels een staart te formeren, maken tegenliggers ruimte; de voorste die het ‘vuile werk’ doet, profiteert zo ook van de volgers. Mijn lichtvoetige voorstudie van het doorkruisen van de Utrechtse stationshal, gekoppeld aan de onderzoeksresultaten van het Santa Fe Institute23 en anderen, suggereert een aantal hypotheses: civiele tegenbinding wordt bevorderd door gelijke snelheid, gelijke afstand tot anderen en ‘objecten’ (de zogenoemde shy-away afstand), en een voortdurend oogcontact. Uit eerder onderzoek van Jane Ja­cobs c.s. weten we al dat mensen zich idealiter anderhalve meter schuin links­ achter hun voorganger bevinden om over diens schouder mee te kijken en op tijd te kunnen stoppen. In geval van druk tweerichtingsverkeer worden rijtjes gevormd24 en in westerse culturen houden mensen ‘rechts’ om tegenliggers te ontwijken.25 Bij wegvernauwingen wordt bekwaam geritst.26 Trappen vormen natuurlijke bottlenecks27, vermoedelijk mede door de juist daar sterk uiteen­ lopende voorkeurssnelheden.

Gamma

Nu al brengt de ns een aantal ervaringsregels in de praktijk. ‘Instructies’ moe­ten ‘logisch en leesbaar’ zijn: niet sturen op borden maar op eigen logica. Het station moet zichzelf wijzen. ns Stations experimenteert bijvoorbeeld in Lei­den met zitjes middenin de stationsruimte. De idee is dat hierdoor automa­tische loopstromen worden gecreëerd, mensen volgen elkaar automatisch. Net als bij onaangename pleinen belemmert een grotere en daardoor ver­vreemdende ruimte soms de doorstroming. De stationservaring wijkt echter af van die in bijvoorbeeld winkelcentra en uitgaanscentra. Waar het daar de bedoeling is mensen zo lang mogelijk ‘vast’ te houden, is het hoofddoel op de stations om hun zo snel en aangenaam mogelijk van a naar b te brengen. Ter illustratie: stationswinkels moeten ‘open’ zijn zodat reizigers met een en­kele blik kunnen inschatten hoe lang ze kwijt zijn voor een kop koffie of een tijdschrift. De loopstromen zijn ook geen continue stromen maar ontstaan als impuls, bijvoorbeeld de roltrap vanaf perron 7 komt ‘los’ in de centrale hal. De bètadenkers – stationsontwerpers, treinplanners – kunnen juist op dit punt nog veel leren. Zelforganisatie wordt immers een probleem indien technieken de toestroom bepalen. Een trein komt aan en spuwt te veel men­ sen tegelijk uit op overvolle perrons, of roltrappen spuwen mensen uit op overvolle stations.

Mede door de toenemende drukte op stations genoodzaakt worden aan de gammakant sprongen gemaakt. Op de stations kunnen twee doelgroepen worden onderscheiden: ervaren vs. niet­ervaren reizigers of – in onze termen – vertrouwde vreemden vs. echte vreemden. Het merendeel – in de orde van ze­ventig procent – van de passanten bestaat uit mensen met vaste reispatronen, forenzen en scholieren bijvoorbeeld. Mensen kennen de stationsinrichting en ­processen. Ze raken ook niet snel van de leg als er iets ‘fout’ gaat. Indien ze in geval van, zeg, treinuitval snel over goede informatie beschikken, zul­len trekkers binnen deze doelgroep alternatieven ontwikkelen als basis voor zelforganisatie: welk alternatief hebben ‘we’? Andere ervaringsdeskundigen weten hen te vinden en volgen. Zo ontspruit een soms verrassend blijmoedi­ge community, die – zeker indien met informatie bevoorraad door goed toege­rust ns­personeel in de rol van externe verbinder – tot ‘mooie’ dingen in staat blijkt. Dat geldt nauwelijks binnen de doelgroep echte vreemden, waarbinnen twee subgroepen zijn te onderkennen: onwennigen vs. echte vreemdelingen. Onwennige reizigers weten vaak wel de weg op hun thuisstation maar zijn na aankomst de weg kwijt. Ze snappen vaak ook niet hoe stationsroutines in elkaar steken, hoe de chipkaart werkt bijvoorbeeld. Het voordeel is wel dat de groep in het algemeen minder gehaast is en de eigen beperkingen heeft ingecalculeerd in de reisplannen. Een beetje hulp op de stations helpt hun op de goede weg. Dat geldt minder bij de echte vreemdelingen, vaak zeer er­varen reizigers van buitenlandse herkomst die, toch al ontregeld door een lange reis, bij aankomst op Schiphol verder worden ontregeld door uitgeval­len treinen of poortjes die de uitgang op een station belemmeren omdat ze niet ‘ingecheckt’ waren.

De ns speelt relatief sterk in op de behoeften en kwaliteiten van de vertrouw­de vreemden. Onderzoek suggereert dat het begrip vertrouwde vreemden hun wellicht te kort doet: veel reizigers zitten zo vaak in dezelfde trein, dat ze elkaar echt ‘kennen’. Mijn collega Gerard de Vries en ik ontmoetten elkaar bij­voorbeeld vele dinsdagen om een paar minuten voor negen in altijd dezelfde coupé van dezelfde trein op perron 18 van het cs Utrecht. Op een station en in een trein zijn mensen dus niet anoniem, want de volgende dag zien ze el­kaar weer. Hardlopers zijn alleen degenen die denken nog een kans te maken op het halen van een trein. Dat wordt echter minder belangrijk naarmate er meer verbindingen komen die bovendien niet meer aan een vaste dienstrege­ling zijn verbonden. Het ontregelende rennen concentreert zich in de praktijk bovendien op de eerste treinuitstappers. Ze weten dat ze een kans hebben dan hun aansluiting te halen en zorgen er dus voor in de juiste wagon te zitten en vooraan bij de deur te staan. Hun gehol veroorzaakt daarom geen grote pro­blemen: op het moment dat ze uit de trein springen, hebben ze meestal een vrij leeg perron voor zich.

Tegenbinding bestaat bij de gratie van vertrouwde vreemden: doe­burgers die een zodanig gedetailleerde film van een ideaalbeeld in hun hoofd hebben dat ze met een enkele blik de afwijkingen tussen werkelijkheid en ideaal kunnen constateren en daarop vervolgens kunnen handelen. Vanuit het perspectief van beleidsmakers is het een machtig en vooralsnog onderbenut onderzoeks­gebied. Er is nog een lange onderzoeksweg te gaan om menselijk gedrag, zelfs onder redelijk beheersbare condities zoals in een stationshal, te duiden zoals dat wel al gebeurde bij vogels, bijen, mieren en dergelijke. Bestaande miscon­cepties moeten ook worden geruimd. Te vaak wordt zelforganisatie gelijk­gesteld met samenbinding – sociale cohesie – en wordt het fenomeen van de tegenbinding verwaarloosd. Te vaak worden ook burgers onderschat: dat kunnen ‘ze’ niet c.q. dat willen ‘ze’ niet. De stationshal kan daarom gelden als bron voor zowel ontnuchtering als inspiratie: burgers kunnen veel zonder beleidsmakers.

De centrale vraag is veeleer: hoe kunnen beleidsmakers, in de mate dat dit no­dig is, mensen ‘ongemerkt’ sturen? Johan Huizinga beschouwde spel – de tot wedkamp gereguleerde strijd – als de bron van cultuur. Een – toenemend – deel van de spelregels komt tot stand langs informele weg. De rol van beleids­makers is daarbij in de eerste plaats gelegen in het scheppen van de randvoor­waarden, die vooral worden gekenmerkt door ‘niet­helpen’: loslaten. Een deel van die regels is echter blijvend formeel, door beleidsmakers namens ons al­len bepaald en gehandhaafd. Zelforganisatie behoeft duidelijke kaders, er zijn grenzen aan wat een overheid namens ons allen kan en mag overdragen aan burgers. Indien zelforganisatie leidt tot misstanden – in het vijftiende eeuwse Friesland bijvoorbeeld betwistten de edelingen elkaar het lokale monopolie op de handel op ‘hun’ doorvaarten – is ingrijpen ‘van boven’ wenselijk. Er zijn ook grenzen aan wat een bijna per definitie versplinterde zelforganisa­tie vermag. Toen rond 1498 gedisciplineerde legers superieur bleken, was het gebeurt met de zelforganisatie en werd de Friese ‘vrijheid’ ingeruild voor de heerschappij van een centraal gezag. Zelforganisatie is bovendien eindig. Nieuwe technologie biedt mogelijkheden die nieuw beleid behoeven; het internet vormt daarvan slechts één van vele illustraties. Wat in vroeger tij­den een ‘passende’ oplossing was, hoeft dat ook niet te langer te zijn. Van het voorvaderlijk Hommemaslot in de Morra van mijn collega Gerard de Vries is niet veel meer over. In 1490 bestormden de Vetkopers het huis. Vijf jaar later, in 1495, deden zij dat dunnetjes over. Daarna is het huis een ‘gewone’ boerderij geworden. In 1718 lag direct ten oosten van de boerderij nog een stinswier28, ongetwijfeld de rest van de oude stins. Het is alleen nog goed voor een bede­vaart in familiale kring. Persoonlijke bufferzones zijn daarbij niet nodig.

WRR-rapport nr. 88 (2012). Vertrouwen in Burgers. Amsterdam: Amsterdam University Press

Huizinga, J. (1952). Homo ludens: proeve ener bepaling van het spel-element der cultuur. Haarlem: Tjeenk Willink.

Noomen, P.N. (1999). ‘De Friese vete- maatschappij: sociale structuur en machts- bases’, in: J. Frieswijk et al., Fryslân, staat en macht 1450-1650. Hilversum: Verloren, p. 43-64.

Pierius Winsemius (1622). Chronique van Vrieslant.

Noomen, P.N. (2009). De stinzen in middeleeuws Friesland en haar bewoners, Hilversum: Verloren.

McKinsey & Company en De Publieke Zaak (2009). 21minuten.nl enquête. Amsterdam: McKinsey & Company.

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2005). Vertrouwen in de buurt. (2009). Vertrouwen in de school. (2012). Vertrouwen in burgers. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Sennett, R. (2012). Together. The rituals, pleasures and politics of cooperation. Londen: Penguin Books, p. 78 e.v.

Christakis, N.A. en J.H. Fowler (2009). Connected, New York: Little, Brown and Company. p. 26.

Mitchell, M. (2009). Complexity. A guide tour. New York: Oxford University Press, p. 12.

Shirky, C. (2010). Cognitive surplus. Creativity and generosity in a connected age. New York: The Penguin Press, p. 91.

Meijer, A.J., W. Ebbers en N. Burger (2008). ‘Citizens 4 citizens’, Eindrapport van een empirisch onderzoek, B-dossier/D2.5. Enschede: Telematica Instituut, p. 60. Zie ook Meijer, A.J., N. Burger en W. Ebbers (2009). ‘Citizens4citizens: mapping participatory practices on the internet’, in: Electronic Journal of e-Government, 7:1.

Zie ook Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2011). iOverheid, Amsterdam. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2012). Publieke zaken in de marktsamenleving. Amsterdam: Amsterdam University Press

Jacobs, J. (1961). The death and life of great American cities. The failure of town planning. New York: Random House.

Blokland-Potters, T.V. (2006). Het sociale weefsel van de stad: cohesie, netwerken en korte contacten. Oratie, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Engbersen, G. (2008). ‘Sociale uitsluiting en sociale herovering in Rotterdam’, in: Notten, T. (2008). De lerende stad. Het laboratorium Rotterdam. Apeldoorn: Garant.

Mijn dank gaat uit naar Sebastiaan de Wilde en Jeroen van den Heuvel van NS Stations voor hun enthousiaste en deskundige inbreng.

Zie ook Voskamp, A. (2012). Measuring the influence of congested bottlenecks on route choice behavior of pedestrians at Utrecht Centraal. Delft: MsC Thesis, Delft University of Technology.

Fruin, J.J. (1971). Pedestrian planning and design. New York: Metropolitan association of urban designers and environmental planners.

Fruin 1971: p. 54.

Zie ook Voskamp, A. (2012). Measuring the influence of congested bottlenecks on route choice behavior of pedestrians at Utrecht Centraal. Delft: MsC Thesis, Delft University of Technology.

Zie bijvoorbeeld Mitchell, M. (2009). Complexity. A guide tour. New York: Oxford University Press.

Helbing, D., P. Molnár, I.J. Farkas en K. Bolay (2001). ‘Self-organizing pedestrian movement’, in: Environment and planning, B: Planning and Design 2001, volume 28, p. 316-383.

Daamen, W. (2004). Modelling passenger flows in public transport facilities. Delft: PhD dissertation, Delft University of Technology.

Hoogendoorn, S.P. en W. Daamen (2005). ‘Pedestrians behavior at bottlenecks’, in: Transportation Science 39, no. 2, p. 147-159.

Voskamp, A. (2012). Measuring the influence of congested bottlenecks on route choice behavior of pedestrians at Utrecht Centraal. Delft: MsC Thesis, Delft University of Technology.

Homme Hommema heeft ook in Dronrijp een stins gehad, waar hij volgens mijn gegevensbestand in 1459 overleed. Het is een mooi dorp en je kan er goed eten.