Het stadhuis

Politiek transport – het stadhuis en de kabelbaan

[1]

Hans Harbers

 

1986 – gemeenteraadsverkiezingen. In Groningen meldt zich lijst 11, b.i.e.r. – de Bond van Initiatiefrijke Experimentele Realisten. Bus d’r uit. Kabelbaan d’r in, staat te lezen op één van hun verkiezingsaffiches. ’Auto’s worden bui­ten de binnenstad geparkeerd. Bijvoorbeeld in de buurt van het station: daar wacht een stoeltjeslift die de reizigers snel en goedkoop naar het hart van Groningen transporteert’, aldus de programmatische toelichting. Hoe ludiek en onuitgewerkt het idee oorspronkelijk ook was, sindsdien is de kabelbaan nooit meer helemaal van de Groningse politieke agenda weggeweest. Tijden hoorde men er niets meer van, om dan plots weer terug te keren.

Bijvoorbeeld in 2001 als de Groninger City Club in haar tweemaandelijkse nieuwsbulletin publiekelijk fantaseert over het oppimpen van de Oosterhaven tot een soort van Venetiaans Canal Grande – compleet met zingende gondelaars, en vanuit de Euroborg, het nieuwe stadion van FC Groningen, te bereiken via een hoog boven de stad zwevende kabelbaan. Kan men zo overstappen van de ene in de andere gondel. Of in 2005 als het Groninger Vervoers­ en Coördinatie Centrum haar eigen 1­ april grap over een aan te leggen kabelbaan dwars door de hele stad – van de Euroborg in Zuid-­Oost, via het NS­ station, naar de Grote Markt, en dan door naar het Zernike Science Park ten Noorden van de stad – serieus begint te nemen. Zo’n kabelbaan zou sneller, goedkoper, veiliger, milieuvriendelijker en stiller zijn dan andere vervoers­middelen zoals de bestaande bus of de in discussie zijnde tram – en natuurlijk een toeristische attractie van jewelste. Daarvan zijn de pleitbezorgers nog steeds heilig overtuigd: het zal duizenden, zoniet tienduizenden bezoekers op jaarbasis aantrekken.

Fact free politics

Maar op wiens agenda staat die kabelbaan eigenlijk? Wie bepaalt en beheert die agenda – de politiek, kiezers, gekozenen, de gemeenteraad, college van B&W, de ambtelijke dienst Ruimtelijke Ordening en Economische Zaken? Of is dat te traditioneel gedacht – binnen de kaders immers van de inmiddels toch lang en breed achterhaalde modernistische samenleving met haar keurige institutionele taakverdeling? Dat was ooit een kernleerstuk van de sociologie: de modern­industriële samenleving zou zich kenmerken door een proces van differentiatie. Elke maatschappelijke taak vereist zijn eigen institutie. Die taken dienen strikt gescheiden te blijven, dus ook de instituties. En daarom spreken we van de scheiding tussen kerk en staat, tussen recht en politiek, privaat en publiek, of, om wat langer stil bij te staan, de scheiding tussen wetenschap en politiek.

Im Hörsaal keine Politik – in de collegezaal geen politiek, aldus Max Weber (1917/2012) in zijn beroemde lezing Wissenschaft als Beruf. Wetenschap moest in zijn ogen gevrijwaard blijven van politiek. Wetenschappelijk onderzoek gaat over de feiten – het Sein; politieke wilsvorming over de waarden – het Sollen. En die twee domeinen moeten strikt van elkaar gescheiden blijven. Het epistemische onderscheid tussen feiten en waarden verbond Weber al­ dus met het institutionele onderscheid tussen wetenschap en politiek. Dat zou goed zijn voor de wetenschap – haar neutraliteit en objectiviteit; maar ook voor de politiek. Het politieke spreken moet vrij zijn, los van Sachzwang, de dwang van de feiten, aldus Weber. Wat we normatief wenselijk achten mag niet afhankelijk zijn van wat feitelijk mogelijk is. Zo geredeneerd kent waardevrije wetenschap – value free science – een tweelingzusje: feitenvrije politiek – fact free politics.

Aan deze strikte scheiding van wetenschap en politiek zitten nog twee andere vast: die tussen experts en leken en tussen burgers en politici. Waarheidsvinding is het domein van daartoe opgeleide wetenschappelijke experts – een zaak van deskundigen waar de leek buiten moet blijven. En de politiek delegeren we in onze indirecte democratie aan gekozen vertegenwoordigers, die weliswaar de hete adem van de burger in hun nek voelen, maar grondwettelijk toch geacht worden ‘zonder last en ruggespraak’ hun werk te doen. Het is deze driehoeksverhouding tussen wetenschappelijke experts, beroepspolitici en leken­burgers die lange tijd de grondstructuur vormde van ons denken over rationaliteit en vooruitgang. Het is een van de constitutionele pijlers van ons Westers­moderne wereldbeeld.

Collectieve wilsvorming, zo luidt dus de gedachte, is het primaat van de politiek. Toch wijst de praktijk anders uit. De kabelbaan brengt ons op heel andere plekken dan het stadhuis – het centrum bij uitstek van de traditionele (gemeente)politiek. Het begon nog wel op de lijst van een politieke partij, maar toch vooral een ludieke. Later werd de kabelbaan voornamelijk een speeltje van andere maatschappelijke actoren. Ik noemde al de Groninger City Club en het Vervoers­ en Coördinatie Centrum. Maar wat te denken van het UMCG – het Universitair Medisch Centrum Groningen? Dat is van meet af aan nauw betrokken bij de gedachten­ en planvorming rond de kabelbaan. Sterker: het is een van de drijvende krachten achter het hele idee. Dat heeft te maken met de bereikbaarheid van het ziekenhuis. Decennia terug is in overleg met de gemeente besloten het wat toen nog heette Academisch Ziekenhuis geheel op­ nieuw te bouwen, op de plek waar het al stond: dicht tegen het stadscentrum aan. Dat zou de overloop naar de binnenstad bevorderen. Onderdeel van de deal was dat de gemeente zou zorgen voor goede toegankelijkheid van het ziekenhuis. Het UMCG zit dan ook steeds aan tafel als het om stad­-Groninger vervoersbeleid gaat. Aan de exploitatie van de kabelbaan wil het zelfs substantieel bijdragen in ruil voor plaatsbewijzen voor het ziekenhuispersoneel.

Verkeersdrukte

Dat vervoersbeleid krijgt in de jaren negentig gestalte met een breed op­ gezette verkennende nota, getiteld Het kan verkeren, over de steeds maar toenemende verkeersdrukte in de stad. Verschillende opties worden open­ gehouden – vrije busbanen, kabelbaan, tram. Met name de laatste mogelijkheid trekt de aandacht van het college van B&W. Voorjaar 2005 kondigt het een onderzoek aan naar de haalbaarheid van één of wellicht zelfs meerdere tramlijnen door de stad. Het onderzoek maakt deel uit van het Kolibri­project – een samenwerkingsverband in de regio Groningen-­Assen ter verbetering van het openbaar vervoer.

Maar dat gaat natuurlijk allemaal erg lang duren. Reden voor een aantal maatschappelijke partijen, waaronder weer het UMCG en de Groninger City Club, maar ook de Kamer van Koophandel en IKEA, om weer vaart achter de kabel­ baan te zetten. Hoewel het college grote aarzelingen heeft, en vooral inzet op de tram, gaat het accoord met een haalbaarheidsonderzoek en neemt zitting in de begeleidende werkgroep. Ze betaalt ook mee – zij het met een klein bedrag; de bulk van het benodigde onderzoeksgeld komt van het Ministerie van Economische Zaken. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een werkgroep, bemand door het VCC-­Noord en aangestuurd door Marketing Groningen, die ook de voorzitter van de werkgroep levert. De gemeentelijke dienst Ruimtelijke Ordening en Economische Zaken is nauw betrokken bij het onderzoek en verleent de nodige hand-­ en spandiensten.

De klassieke politiek, i.c. de gemeentelijke overheid is dus weliswaar participant in het geheel, maar van enig primaat van de politiek is hier toch bepaald geen sprake. Het zijn vooral marktpartijen die het voortouw nemen, steeds weer met flinke media­steun, met name van het regionale Dagblad van het Noorden. In latere fases is dat in nog sterkere mate het geval. Achtereen­ volgende Colleges van B&W kiezen steeds duidelijker voor de tram en trekken hun handen af van de kabelbaan. Onderzoek door derden wordt dan nog net gedoogd, ambtenaren van RO-EZ verstrekken nog wel de noodzakelijke informatie aan onderzoekers, maar dat is het dan ook wel ongeveer. Betrokkenen klagen niet voor niets over het gebrek aan medewerking van de gemeente, daar waar in hun ogen politiek enthousiasme nu juist vereist is.

‘Voor het slagen van plannen van de Kabelbaan is het noodzakelijk dat de gemeente deze omarmt. Goede en volledige informatievoorziening en openheid zijn eveneens van doorslaggevend belang voor een succesvol vervolg. Op deze manier wordt voorkomen dat criticasters op verkeerde gronden en met behulp van stemmingmakerij sympathie winnen bij het grote publiek en kan een eventuele volksraadpleging op basis van reële en waardevolle argumenten plaatsvinden. Uiteraard past hierbij het actief promoten van het Kabelbaanidee en het voeren van een open discussie.’ (Haalbaarheids- onderzoek Kabelbaan Groningen, okt. 2006, p. 58)

Leken-burgers

Op de steunbetuiging van een enkel gemeenraadslid na, krijgt de kabelbaan dus vooral gestalte – op papier althans – buiten de traditionele politiek om. De politiek, zo heet het, heeft zich verplaatst – van de traditionele instituties van de democratische rechtsstaat (regering, parlement) naar allerlei andere maatschappelijke instanties en actoren (Bovens, 1995). De politiek heeft niet meer het primaat inzake collectieve wils-­ en besluitvorming. Anderen spelen daarin een minstens even belangrijke rol. Ook in de rechtszaal, in ziekenhuizen, op scholen, in het wetenschappelijk laboratorium en aan de teken­ tafel van de ingenieur wordt politiek bedreven. De voor moderne samenlevingen zo kenmerkend geachte institutionele taakveredeling is behoorlijk aan het vergruizen. Zo is de gekke koeien ziekte, om een bekend voorbeeld te noemen, niet alleen een medisch­-wetenschappelijk probleem, maar ook een economisch, een politiek, een juridisch en een cultureel probleem. Er is dan ook een veelheid aan actoren bij betrokken: boeren, veeartsen, beleidsmakers, de Europese Unie, transportbedrijven, supermarkten, consumenten en niet te vergeten koeien, heel veel koeien. De gekke koeien ziekte is exemplarisch voor veel maatschappelijke kwesties: het zijn hybride problemen die alleen in hybride fora opgelost kunnen worden.

Neem weer de verhouding wetenschap­poltiek. Daartussen bestaat een veel hechtere band dan dat Westers­moderne wereldbeeld toestaat. In reactie op Webers lezing sprak Jürgen Habermas (1963/68), bijna vijftig jaar later, midden in de Koude Oorlog, al over de toenemende verwetenschappelijking van de politiek en idem dito verpolitisering van de wetenschap. Het ‘wetenschappelijk-­technologisch-­militair-­industrieel complex’ heette dat. Wetenschap blijft niet binnen de veilige muren van het laboratorium. We experimenteren in real time met onze natuur, zowel op het macroscopisch niveau van ecosystemen als op het microscopisch niveau van genen. Feiten en waarden, wetenschap en politiek raken in zulke situaties steeds hechter verweven – kijk maar naar de klimaatdiscussie of naar een willekeurig rapport van de Gezondheidsraad over een of andere nieuwe medische technologie. Wetenschap levert niet alleen kennis op over onze wereld, maar geeft zelf ook actief vorm aan die wereld.

Dat de feiten niet voor zich spreken, maar interpretatie behoeven en dus contextgevoelig zijn, wisten we al wel langer. Onzekerheid is troef – ook in de wetenschap. Maar als wetenschap die context ook mede vorm geeft, dan is ze zelf een politieke actor van belang geworden, en wordt ze onderdeel van het politieke spel van botsende zekerheden. Denk nog maar eens terug aan de strijd tussen Shell en Greenpeace inzake de Brent Spar. Of, meer recent, aan de discussie over nut en noodzaak van de griepprik.

Met deze vervaging van de grens tussen wetenschap en politiek komen, begrijpelijkerwijs, ook die andere twee onderscheidingen ter discussie te staan. Immers, als wetenschap een vorm van politiek is, voortgezet met andere middelen, zoals de franse filosoof Bruno Latour (1983) stelt, dan is het niet verwonderlijk dat leken­burgers zich daar ook tegenaan willen bemoeien. Kortom, die keurige taakverdeling tussen wetenschappelijke experts, politici en leken­ burgers implodeert op alle fronten. Een willekeurig voorbeeld: patiëntenverenigingen, medici, zorgverzekeraars en beleidsmakers in de gezondheidszorg zitten regelmatig bij elkaar aan tafel. Om nog maar te zwijgen over het vervagen van grenzen op internet – daar gaat iedereen op elkaars stoel zitten.

De verplaatsing van de politiek naar andere domeinen en gremia roept een democratisch legitimiteitsprobleem op. Immers, procedures voor collectieve wils­ en besluitvorming zoals we die kennen voor de traditionele politiek ontbreken op deze plekken waar zogenaamde ‘sub­politiek’ bedreven wordt. Alom wordt daarom voorgesteld ook die procedures mee te verplaatsen om zo ook de sub­politiek onder democratische controle te brengen (bv. Beck, 1986; Callon, 2009).

Grofweg kan dat op twee manieren: via de lijn van wat de politiek filosoof Will Kymlicka (2001) vote centred democracy noemt, of via de lijn van talk centred democracy. De eerste lijn zet in op versterking en uitbreiding van allerlei verkiezings­ en stemprocedures. In de VS bijvoorbeeld moeten zelfs het lokale schoolhoofd en de plaatselijke sheriff op campagne. In Nederland ken­ nen we dat amper. Ons poldermodel is veel meer gericht op de tweede lijn: intensivering van de deliberatieve democratie via een scala aan inspraak­ en participatiemogelijkheden.

Neem weer de verhouding tussen wetenschap en politiek, in het bijzonder de relatie tussen wetenschappelijke experts en leken en tussen burgers en gekozen politici. Op het gebied van wetenschap en technologie wordt het ene instrument na het andere verzonnen om de leek te betrekken bij ontwikkelin­ gen in onze kennismaatschappij en de technologische cultuur: lekenpanels, science courts, brede maatschappelijke discussies, consensus conferenties, scenario workshops – allemaal pogingen om de verplaatsing van de politiek naar het laboratorium en de tekentafel ook democratisch te reguleren en te legitimeren. Op het gebied van politiek en bestuur gonst het van initiatieven inzake burgerparticipatie, interactief beleid, privaat­publieke samenwerking, en de lerende overheid. Lees een paar WRR-­rapporten over bestuurlijke ver­ nieuwing en de overheid, en je bent op dit punt weer helemaal bijgepraat. Daarin wordt governance (horizontale besluitvormingsprocedures) welis­ waar gepresenteerd als aanvulling op en niet als vervanging van government (verticale besluitvormingsprocedures), dat neemt niet weg dat in deze gedachtegang de laatste terrein verliest ten gunste van de eerste.

Kortom, de verplaatsing van de politiek, en daarmee de afzwakking van het primaat van de politiek, wordt gecompenseerd met een uitbreiding van de overlegdemocratie. Dat klinkt sympathiek, maar er zijn ook wel een paar kanttekeningen bij te plaatsen.

Kwaliteitsbewaking

De inbreng van leken in wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen is toe te juichen. Wetenschap en technologie blijft altijd mensenwerk. Daar kun je en moet je niet blind op varen. Maar als de vervaging van de grens tussen leken en experts impliceert dat oude vormen van kwaliteitsbewaking – de gesloten wetenschappelijke gemeenschap – niet vervangen worden door nieuwe, dan loop je het risico het kind met het badwater weg te gooien. Dat leken mee­ en tegenspreken is goed voor de wetenschap, maar helemaal zonder poortwachters gaat het niet. Dan zal elk vertrouwen in de wetenschappelijke expertise wegvloeien – vertrouwen dat juist onontbeerlijk is omdat we niet alles zelf kunnen weten (zie ook Collins & Evans, 2007).

Laten we de wetenschap verder voor wat ze is, en concentreren we ons op de politiek. Pleidooien voor meer inspraak, participatie en deliberatie veronderstellen een hoge mate van bereidheid tot deelname. Daaraan kan op goede gronden getwijfeld worden. De loodgieter laten we het sanitair repareren, voor medische kwesties gaan we naar de dokter, en politiek en bestuur de­ legeren we via verkiezingen aan beroepspolitici. Dat is juist de charme van indirecte democratie: het garandeert ons recht op politieke luiheid. Je moet er toch niet aan denken dat je altijd overal over mee zou moeten praten.

Bovendien, niet zelden is burgerparticipatie en interactief beleid een doekje voor het bloeden, terwijl je ondertussen wel mede verantwoordelijk bent voor het resultaat ervan. Een pond zeggenschap tegen een kilo verantwoordelijkheid noemde vakbondsbestuurder Arie Groeneveld dat ooit, en organiseerde liever een volgende staking. Ruime toepassing van deliberatieve democratische procedures vergroot het draagvlak voor beslissingen, maar loopt ook het risico ten koste te gaan van daadkracht. Het maskeert nogal eens de koudwatervrees van politici voor heldere politieke uitspraken en beslissingen – ook tegen de vermeende volkswil in. Consensus is een mooi democratisch ideaal, maar kan in de typisch Nederlandse context van bestuurlijk polderen ook gemakkelijk in haar tegendeel verkeren: slappe compromissen onder miskenning van tegenstrijdige belangen en botsende idealen – het domein bij uitstek van het vrije politieke spreken.

Juist dat vrije politieke spreken staat onder druk – van drie kanten tegelijk zelfs. In de eerste plaats door het voortdurende beroep op ‘de wetenschappelijke feiten’. Zie het enthousiasme voor fact-checkers en evidence based policy, en de afkeer van fact free politics, symboolpolitiek, framing en spinning. Terwijl politieke wilsvorming toch een zekere mate van vrijheid ten opzichte van de feiten vereist. Politieke idealen willen zich juist niet neerleggen bij de feiten. Zij zijn bij uitstek contra-factisch – tegen de feiten indenkend. Als dat niet meer kan dan komen we onherroepelijk terecht in technocratisch vaarwater – een ernstige vorm van depolitisering, want zelf bepaald niet politiek on­ schuldig. In die zin is het nog maar de vraag wat erger is: Monti of Berlusconi. Het vrije politieke spreken staat in de tweede plaats onder druk van bestuurlijke compromissen. Dat is te begrijpen vanuit ons meerpartijenstelsel, maar wordt niet gecorrigeerd door een flinke dosis dualisme. Integendeel, kandidaat­kamerleden worden na de verkiezingen zomaar opeens minister of staatssecretaris; en voorzitters van kamerfracties die de zittende coalitie ondersteunen zijn meer regeringsvertegenwoordiger dan volksvertegenwoordiger. Terwijl het vrije politieke spreken toch juist om dat laatste gaat: het vertegenwoordigen van en vormgeven aan botsende idealen in de samen­ leving. Dan moet je geen meel in de mond hebben van bestuurlijke compromissen en loyaliteiten.

Ook de hang naar het vaak helemaal niet zo gezonde Volksempfinden, tot slot, komt het vrije politieke spreken niet ten goede. Wie uit vrees voor de kloof tussen burger en politiek denkt het volk te moeten napraten kan maar beter direct Maurice de Hond inhuren. Politieke wilsvorming verwordt zo tot terreur van de opiniepeiling. Dat geldt tot op zekere hoogte ook voor eerder genoemde mode van burgerparticipatie en inspraak. Op het niveau van bestuur en beleid (policy) valt daar best wat voor te zeggen, maar op politiek niveau (politics) staat het de actieve vormgeving aan de strijd der meningen en idealen juist in de weg. De kloof tussen burger en politiek is geen bedreiging voor de democratie, maar vormt juist de productieve kern van het politieke representatieproces. Burgers moeten politici kunnen tegenspreken en zelfs naar huis sturen, maar omgekeerd moeten politici ook burgers kunnen toe­ en tegenspreken. De volkswil moet niet alleen gevolgd, maar ook gevormd worden.

Kortom, wellicht was het primaat van de politiek wat veel gevraagd, maar dat wil niet zeggen dat het politieke spreken zich de mond moet laten snoeren. De moderne samenleving mag, om met Zygmunt Bauman (2000) te spreken, feitelijk nog zo fluid en liquid zijn geworden, hybridisering en ontgrenzing hoeft niet – en wat mij betreft behoort ook niet – te leiden tot verlies van de eigen(zinnig)heid van de politiek. Niemand weet dan nog wie waarvoor op welk moment verantwoordelijk is. Georganiseerde onverantwoordelijkheid noemt Ulrich Beck (1986) dat treffend. Ook in dat opzicht valt er het nodige te leren van de geschiedenis van de kabelbaan in Groningen – zij het, helaas, vooral in negatieve zin.

De kabelbaan zweeft boven de markt

Najaar 2006 verschijnt het Haalbaarheidsonderzoek Kabelbaan Groningen. Het wachten is op een officiële reactie van B&W. Tot die tijd zwijgen ook de meeste gemeenteraadsleden – tot ergernis van een aantal voorstanders. Ondertussen gaat in januari 2007 de raadscommissie Beheer & Verkeer accoord met de door B&W voorgestelde uitwerking van plannen voor een regiotram die ook de binnenstad aandoet.

In maart 2007 reageert het College dan toch op het haalbaarheidsonderzoek. Negatief. ‘Een kabelbaan bezoek je met je kinderen in de Efteling’ zou één van de wethouders gezegd hebben. Duidelijk is dat B&W kiest voor de tram en de kabelbaan steeds meer ziet als bedreiging voor die keuze. Daarover verbazen anderen zich dan weer. Tot dan toe was het officiële standpunt dat beide ver­ voersmiddelen elkaar niet bijten. Waarom dan nu opeens zo’n harde afwijzing? De voorzitter van de Groninger City Club vraagt om een referendum. De initiatiefnemers van het haalbaarheidsonderzoek vestigen nu hun hoop op de gemeenteraad. Ook de Christen Unie wil een raadsdebat. Dit is geen technisch­wetenschappelijke, maar een politieke kwestie en hoort dus in de Raad, aldus de CU-­fractievoorzitter. Een oprechte oprisping van het ideaal van het primaat van de politiek. Maar ook dat verwatert. De behandeling komt niet verder dan de raadscommissie.

Menig commissielid spreekt zijn of haar verbazing uit over de categorische afwijzing door B&W van de kabelbaan. De kabelbaan heeft geen toegevoegde waarde, tast het beschermde stadsgezicht van de binnenstad aan, en biedt een oplossing voor een probleem dat er niet is, aldus de verantwoordelijke wethouder in de commissievergadering van 4 april 2007. Maar, als het College zo principieel tegen is, waarom dan eerst wel een haalbaarheidsonder­ zoek toegestaan, daaraan actief meegewerkt en zelfs meebetaald, zo vraagt menigeen zich tijdens de vergadering af. Goed punt, zou je zeggen. Maar dat kan evenzogoed tegen de raadsleden zelf gekeerd worden. Waarom hebben zij niet veel eerder de hele zaak afgeblazen als er toch sowieso geen meerderheid voor te vinden was – nog los van allerlei haalbaarheidskwesties? Waarom het politiek wenselijke zo laten afhangen van het technisch en financieel mogelijke? Omdat, zo zou een antwoord kunnen luiden, het doen van onderzoek bij uitstek een politiek middel is om van iets af te komen: van uitstel komt mooi afstel. Dat zal best – hogere politiek­strategische logica. Maar het komt de politieke helderheid niet ten goede. Burgers hebben niet voor niks de pest aan dit soort spelletjes.

De uitkomst van de vergadering is typerend: er wordt besloten dat er nader onderzoek moet komen; en de wethouder is bereid ambtelijke kennis daar­ voor beschikbaar te stellen, mits het onderzoek geïnitieerd en gefinancierd wordt door marktpartijen. De gemeente doet niet meer mee en stopt er geen geld meer in, maar houdt ook niets tegen. De initiatiefnemers gooien daarop de handdoek voorlopig in de ring. Door de opstelling van de gemeente (College afhoudend, Raad afwachtend) hebben zij het gevoel aan een dood paard te trekken.

Eind 2008 doet één van de raadsleden – een fervent voorstander van de kabelbaan met zeer goede connecties met de initiatiefnemers – nog een poging de zaak weer nieuw leven in te blazen. Zonder al te veel succes overigens. Het is twee jaar stil, tot voorjaar 2011. Jan Terlouw, voorzitter van een externe commissie die de gemeente adviseert inzake het voorgenomen, maar om­ streden multimediale cultuurcentrum Groninger Forum, spreekt zich in het voorbijgaan opeens positief uit over een eindstation van de kabelbaan in dat­ zelfde Forum aan de Grote Markt. Dat zou de publieke aantrekkingskracht aanmerkelijk vergroten. Terlouws uitspraak heeft vooral gevolgen voor de Forum­plannen. Het trekt sommigen over de streep, anderen worden er nog sceptischer door: de ene disneyficering (de kabelbaan van vervoersmiddel tot toeristische attractie) veroorzaakt de andere (Forum van cultuurpaleis tot volksvermaak).

Vervolgens ontstaat een ingewikkeld politiek spel binnen de gemeente en tussen gemeente en provincie waarin Zuiderzeelijn­gelden, regiotram, Groninger Forum en kabelbaan in wisselende samenstellingen met elkaar worden verbonden, gesteund dan wel afgewezen door wisselende coalities. En zo ontstaat een uiterst complexe situatie waar een buitenstaander amper nog een touw aan vast kan knopen. Temeer als drie partijen – PvdA, VVD en SP – ook nog eens intern verdeeld blijken te zijn: in de Provinciale Staten nemen ze standpunten in die haaks staan op die van hun partijgenoten in de Gemeenteraad. Kortom, de kabelbaan is een goed voorbeeld van een hybride probleem, te behandelen in hybride fora. Maar het laat ook goed de schaduwzijde daar­ van zien. Ingekapseld als de kabelbaan inmiddels is in een netwerk van issues en stakeholders, van gevestigde en minder gevestigde belangen, van regels en procedures, van half wel en half niet gepasseerde stations, komt hier van vrij politiek spreken amper nog iets terecht, laat staan van enig primaat van de politiek. Maar ondertussen zweeft dat kreng nog steeds boven de markt, zonder een duidelijk ja of nee van het cruciale politieke orgaan bij uitstek – de gemeenteraad.

Een productieve illusie

Hoe naïef is het om zo’n eenduidige ja/nee­-beslissing te verwachten? Miskent dat niet die teloorgang van het primaat van de politiek, die verplaatsing, hybridisering en ontgrenzing waar we het steeds over hebben? Is het niet raadzamer zulke transformatieprocessen onder ogen te zien en de politieke praktijk daarop aan te passen? Immers, zo stelde Beck (1993) reeds, georga­niseerde onverantwoordelijkheid vereist een heruitvinding van de politiek, een reorganisatie van het politieke handelen die recht doet aan die transformaties. Het is echter de vraag of zo’n heruitvinding in termen van eerder genoemde versterking van participatie en deliberatieprocessen niet juist ave­ rechts werkt. Het zou wel eens kunnen leiden tot een nog verdere verrommeling van de politiek – met dank aan wijlen PvdA kamerlid Piet de Visser die vond dat we de Irak­oorlog ingerommeld waren. In die zin had Weber wel degelijk een punt: de collectieve wils­ en besluitvorming staat op het spel.

Optimisten zien in elke bedreiging nieuwe kansen. Pessimisten hebben de neiging vooral nostalgisch terug te blikken. Zo ook inzake de politiek: vernieuwing en heruitvinding versus klaagzangen over wat teloor ging. Een in­ teressant alternatief voor beide posities biedt de notie van productieve illusies – weten dat iets een illusie is, terwijl het toch productief is om er naar te handelen. Bijvoorbeeld de religieuze gedachte dat God troost biedt, of het humanistische idee dat de mens de maat van alle dingen is, of de sciëntistische scheiding van feiten en waarden: allemaal illusies, maar wel productief – net als de liefde voor je partner.

Zo kan ook het primaat van de politiek als een productieve illusie bekeken worden. Dan hoef je niet, zoals de pessimisten, in de ontkennende stand te gaan staan. De transformaties van de moderne samenleving en de gevolgen daarvan voor de politiek, i.c. het stadhuis, zijn onmiskenbaar. Maar je hoeft ook niet, zoals de optimisten, blind te zijn voor de schaduwzijden van politieke veranderingen en vernieuwingsdrift. Het primaat van de politiek mag dan een illusie zijn, als regulatief idee kan het wel weerstand bieden aan nog meer zwevende kabelbanen.

Literatuur

Bauman, Z. (2000). Liquid Modernity. Cambridge: Polity Press.

Beck, U. (1986). Risikogesellschaft: Auf dem Weg in eine andere Moderne. Frankfurt a.M: Suhrkamp.

Beck, U. (1993). Die Erfindung des Politischen. Frankfurt a.M: Suhrkamp.

Bovens, M. et.al, (1995). De verplaatsing van de politiek. Een agenda voor democratische vernieuwing. Amsterdam: Wiardi Beckmanstichting.

Callon, M. et al. (2009). Acting in an Uncertain World. An Essay on Technical Democracy. Cambridge MA: MIT.

Collins, H. & R. Evans (2007). Rethinking Expertise. Chicago: Chicago UP.

Haalbaarheidsonderzoek Kabelbaan Groningen. Projectnummer 0604-05-01-004. Groningen, oktober 2006.

Habermas, J.(1963). ‘Verwissenschaftlichte Politik und öffentliche Meinung’, in: idem, (1968). Technik und Wissenschaft als ‘Ideologie’. Frankfurt a.M: Suhrkamp, p. 120-145.

Kymlicka, W. (2001). Contemporary Political Philosophy. An Introduction. Oxford: Oxford UP.

Latour, B. (1983). ‘Give me a laboratory and I will raise the world’. In K.D. Knorr and M. Mulkay (eds.), Science Observed. Perspectives on the Social Studies of Science. London: Sage, p. 141-170.

Weber, M. (1917). Wissenschaft als Beruf. Nederlandse vertaling in: (2012). Wetenschap als beroep / Politiek als beroep. Nijmegen: Vantilt, p. 7-41.

De reconstructie van het verhaal over de kabelbaan is gebaseerd op berichtgeving in het Dagblad van het Noorden, Groninger gemeentelijke documenten, en gesprekken met betrokkenen.