Het politiebureau

Nummer 14

Piet de Rooij

 

In 1878 kreeg Amsterdam het Noordzeekanaal en een universiteit. Het waren symbolen van het weer opleven van de stad, die vanaf dit moment snel zou groeien in tal en last, in welvaart en problemen. En bij een dynamische stad hoorde natuurlijk een wereldtentoonstelling, dat was immers de manier om de wereld te laten weten dat men tot de voorhoede behoorde in de mars der beschaving. Zo werd op het huidige Museumplein van 1 mei tot 1 oktober 1883 een Exposition Universelle Coloniale et d’Exportation Générale ingericht. Ter gelegenheid van de verwachte toestroom van bezoekers was er een gidsje uitgebracht, Amsterdam. Gids met platen, waarin tal van nuttige tips stonden. Over de politie viel te lezen:

 

‘Hoewel Amsterdam, wat zakkenrollers betreft, gelukkig achterlijk is bij andere groote steden, zij men, gedachtig aan het ieder vischt op zijn getij, in de volte vooral op zijne hoede. Geraakt men in moeielijkheden, men schroome niet zich zoo spoedig mogelijk tot de politie te wenden, welker bereidvaardige tusschenkomst niet vruchteloos zal worden ingeroepen. [...] Zijt ge verdwaald, wend u tot den eersten den besten agent, die verplicht is u terecht te helpen.’ [1]

 

Dit advies is vreemder dan het lijkt. Het gaat er immers van uit dat de politie een dienstverlenende functie had. Ze moesten niet alleen boeven vangen maar hadden een regulerende functie in het stadsleven, en moesten het verkeer van stedelingen onderling zo mogelijk storingsvrij laten verlopen door hen met raad en daad terzijde te staan. Sterker nog: achter het advies schemert de opvatting dat de hoofdtaak van de politie het zichtbaar beheren was van de openbare ruimte. Dat was een opvatting die fundamenteel afweek van de opvattingen van het dominante liberalisme. Thorbecke bij voorbeeld had nog in het midden van de negentiende eeuw nadrukkelijk vastgesteld dat Nederland geen ‘alles overheerschende’ politie wilde: ‘Wij wenschen eene politie, waarvan zoo min mogelijk worde gezien en zoo min mogelijk gesproken.’ [2] Nog geen kwarteeuw later werd echter duidelijk dat het stedelijke leven niet langer beheerst werd door afspraken die burgers onderling hadden gemaakt of conventies waaraan zij zich vrijwillig hielden, maar door een onafhankelijk lichaam dat als het ware boven de burgers uitsteeg en het gezag had verworven om hen te dwingen het kwade na te laten en het goede te doen. Deze omslag vond in Amsterdam plaats in 1878: de politie werd zichtbaar, op verschillende centrale plekken in de stad verschenen politiebureaus en politieposten en er werd aandacht besteed aan het uniform. Deze nieuwe politie had geen grote invloed op de frequentie van wandaden en misdaden, maar wel een paradoxaal effect op de standensamenleving: enerzijds nam de hiërarchie toe, doordat burgerlijke normen nu door een professionele organisatie zouden worden afgedwongen, anderzijds werd het verkeer tussen de stedelingen democratischer, aangezien het handhaven van wet en voorschrift allen gold, ongeacht stand of klasse. In het nu volgende zal eerst nader worden ingegaan op de omslag in 1878, vervolgens zal aandacht worden besteed aan de erosie van de politionele idealen in de crisisjaren en tenslotte zal, aan de hand van één politiebureau als symbool, de ontwikkeling van een eeuw politie in Amsterdam worden samengevat.

Politie als prestige

Het is wat overdreven, maar het gaat nauwelijks te ver om te zeggen dat Amsterdam tot 1878 niet beschikte over een politieapparaat. Tot die tijd liepen er overdag ongeveer 250 agenten over straat, zonder een al te duidelijke taak. Het publiek verwachtte ook niet veel van hun optreden. Ruwweg was het zo dat arme mensen last van ze hadden en dat ze voor de welgestelden niet bestonden. ’s Nachts was het toezicht toevertrouwd aan de nachtwacht, een dienst waarin ruim zeshonderd mannen een schamele bijverdienste vonden. Maar in 1878 werd dit allegaartje door een nieuwe hoofdcommissaris omgesmeed tot één organisatie met een sterkte van bijna zevenhonderd man. In dat jaar kwam er ook een nieuwe Algemene Politie Verordening (APV) tot stand. Kende de vorige, uit 1856, nog maar enkele tientallen bepalingen, die van 1878 telde er al 572.

De vraag is dan waarom Amsterdam eigenlijk een modern politieapparaat wenste. Dat was in ieder geval niet het gevolg van een opvallende stijging in criminaliteit. Evenmin was het nodig om de opkomende arbeidersklasse – les classes dangereuses – te beteugelen, want daarvan was evenmin sprake. De meest in het oog springende verklaring is dat Amsterdam zich met een dergelijke politie prestige wenste. Elke stad waar beschaafde burgers naar toegingen, Parijs, Londen, Brussel, Berlijn, had een dergelijk politieapparaat. Het hoorde bij een hoofdstad, zoals brede avenues, parken en fonteinen, musea en een universiteit. Een echte stad hoorde ‘grootsteeds’ te zijn. Er was nog geen spoor aanwezig van een toch wat sombere analyse als van Georg Simmel, die even na de eeuwwisseling de grote stad zou analyseren als de samenballing van ontworteling, met een nerveus stemmend levensritme en een moraal die gestoeld was op geld, waardoor ook een zekere hardheid nodig was om staande te blijven. [3] Niets van dat alles was te merken in een verslag van een bezoek door een Amsterdammer in 1867 aan Parijs gebracht. De schrijver zat daar met twee bekenden in een café aan de rand van een brede straat:

 

‘Doch, niettegenstaande die zich in alle rigtingen bewegende menigte en dat voortdurend defilé van rijtuigen, wordt er niet geduwd, gejaagd of gezweept; ’t blijft een bedaarde, aangename, aantrekkelijke, beleefde drukte; ’t is de drukte van een bevolking, die hier doet onderstellen dat ze uitsluitend voor haar genot leeft; alles lacht, schittert, blinkt. [...] Naast ons zijn van al die bezette stoelen er juist een paar ledig. Een blaauwkiel met zijn vrouw, een eenvoudig wijfje met een muts op ’t hoofd, nemen die plaatsen in, en bestellen wat aan den garçon, die ’t hun even beleefd en vlug brengt alsof ze de diplo- maten van straks waren. Achter hen willen een paar deftige heeren langs
den smallen doorgang hun tafeltje verlaten om op den Boulevard te komen. Hun hoeden afnemende, en met een zeer beleefd: ‘pardon monsieur, pardon madame!’ gaan ze langs den ouvrier en diens vrouw.
‘Laat dat heerschap te Amsterdam in de Kalverstraat, of in de hofstad eens met zijn vrouw in een der beste koffijhuizen zóo binnenkomen?’ zeî de schilder. ‘Je hebt gelijk’, hernam de Majoor, ‘zoo ver zijn we in dat opzigt niet, maar gelukkig zijn we ook niet beschaafd genoeg om die dames seules [lees: prosti- tuees], die je hier achter, vóor en naast je hebt zitten, in onze cafés te dulden.’ Beleefdheid, zoo als ik straks zeî, overheerscht hier alles. Neem een sergent de ville [lees: politieagent] op een of ander punt van den boulevard, vraag hem iets; de man heeft vormen, is voorkomend en hulpvaardig en gelijkt niet het minst op den meestal plompen, ruwen politie-agent ten onzent. Geheel Parijs maakt den indruk op me alsof het voor het uitsluitend genot en de bijzondere ontspanning van elken vreemdeling is ingerigt.’ [4]

Zo zag men het grootsteeds leven graag en dat wenste de burgerij ook in Amsterdam. Daarbij hoorde dus ook een andere politie dan tot dan toe gebruikelijk.
Guus Meershoek heeft onlangs laten zien waar het bij de reorganisatie om draaide.[5]
Het nieuwe ideaal was: overal permanent toezicht. Maar het was onbetaal­baar om op elk punt dag en nacht een agent te hebben, vandaar dat in het Handboek voor de Dienaren van Policie te Amsterdam als doel werd geformu­leerd:

 

‘Het doen bewaken van den openbaren weg op zoodanige wijze, dat ieder punt, met zoo kort mogelijke tusschenpoozen, een zeker aantal malen in eene bepaalde tijdseenheid door een surveillerend agent worde bezocht; terwijl bovendien enkele punten voortdurend of bijna voortdurend worden bewaakt.’

 

De route die de agent op zijn ronde moest afleggen, was nauwkeurig vast­gelegd:

 

‘Marcheerende met een pas van ongeveer 0.70 meter lengte en met eene gemiddelde snelheid van 90 passen in de minuut, moet door een surveillerend dienaar in 5 minuten een afstand van 300 meter, dus in een uur 3600 meter, worden doorlopen.’ [6]

 

Alleen in noodgevallen, bij brand of een heterdaadje, mocht de agent zijn ronde onderbreken.
Van agenten werd overigens niet verwacht dat zij vreselijk actief zouden ‘op­treden’. Ze moesten er eigenlijk vooral zijn, het ging meer om preventie dan correctie. Dat was gestoeld op de ervaring dat politieoptreden vrijwel altijd leidde tot opschudding: nieuwsgierigen kwamen toesnellen, aangehouden mensen werden door hun kameraden of buurtgenoten verdedigd, of een actie van een agent leidde tot een ingewikkelde prestigestrijd die een aanvankelijk kleine kwestie grotere proporties deed aannemen. Agenten werden dan ook gewaarschuwd tegen ‘een overdreven lust tot handelen’. Hij moest zich niet richten op het tegengaan van overtredingen of het vangen van misdadigers, maar vooral op het zoveel mogelijk voorkomen van verstoringen, op de ongehinderde voortgang van de circulatie van mensen en verkeer in een steeds drukker en voller wordende stad. Binnen vijf jaar was het aantal processenverbaal verdubbeld en bijna de helft daarvan betrof verkeershinder: het par­keren van voertuigen, al dan niet met paarden bespannen, het plaatsen van kraampjes zonder vergunning, het opslaan van bouwmaterialen, handelswaren of huisraad op straat, dan wel het los laten lopen van kippen. Daar­naast werd ook voortdurend opgetreden tegen de straatjeugd: die pleegde bij­na per definitie ‘straatschenderij’, zoals het hangen aan rijtuigen, het gooien van sneeuwballen of het anderszins lastig vallen van het beschaafde publiek. In allerlei opzichten wenste het stadsbestuur het openbare leven minder storingsgevoelig, of – in de terminologie van Marx – ‘vloeibaar’ te maken. Dat was nogal wennen voor de stedelijke bevolking en de eerste jaren kwamen er dan ook tal van protesten binnen bij de burgemeester. De ergernis werd nog bevorderd door een aantal incidenten, waaruit bleek dat verschillende politieagenten de nieuwe vereisten nog niet in alle opzichten onder de knie hadden. Vooral in de jaren tachtig waren er vele opstootjes en vechtpartijen met de socialisten – in veel opzichten ook een letterlijk gevecht om de pu­blieke ruimte – waarbij overigens regelmatig bleek dat de zelfbeheersing van de agenten te wensen overliet.

Zuiverheid van handelen

De politie was nu nadrukkelijk de regisseur van het leven in de openbare ruimte; een essentieel aspect daarvan was een andere verhouding tot ‘het publiek’: agenten werden losgemaakt van de sociale omgeving waarin ze verkeerd hadden. Dat bleek bijvoorbeeld uit het tegengaan van een al te amicale omgang met de volksklasse. Zo mochten zij ‘buiten noodzaak’ geen gesprekken meer met burgers voeren. Dat schiep overigens een probleem, want informatie over ongerechtigheden werd – en wordt – doorgaans juist verkregen door wél praatjes aan te knopen met het volk. Vandaar ook de moeizaam geformuleerde instructie dat agenten ‘met overleg, dat is zonder van te groote weetgierigheid noch onverschilligheid te doen blijken’ inlichtingen dienden te vergaren over ‘alle logementen, slaapsteden, sociëteiten, koffie­- en wijn­huizen, schaftkelders, bordeelen, rendez­vous huizen en stallen van verhuur­ ders van rijtuigen’.[7]

Maar niet alleen de banden met het volk werden losgemaakt, ook die met de welgestelden. Zo was het bij voorbeeld niet langer mogelijk om bij ernstige dronkenschap door een dienaar van politie voor een kleine fooi thuis gebracht te worden, wat vroeger een aardige aanvulling was geweest op het karige inkomen van de nachtwacht. Sterker nog: formeel kende de politie niet langer het standsverschil: allen waren burgers, gelijk voor de wet en de APV. Meer in het algemeen moesten de agenten dus tegenover het publiek meer ‘zuiverheid van handelen’ aan de dag leggen. En de hoofdcommissaris legde uit waarom dat zo van belang was:

 

‘Bevoorrechtingen vinden helaas maar al te dikwijls plaats. Ze zijn veelal het gevolg van verplichtingen, die de dienaar aan anderen heeft. De handen van zulke dienaren zijn gebonden en wat meer is, zij kunnen niet vrij meer oordelen.’ [8]

 

Dit was wellicht de kern van de professionalisering: politiepersoneel diende zich zonder aanzien des persoons en onder alle omstandigheden ingetogen en beheerst te gedragen. Dat gaf de superioriteit die nodig was om de open­bare ruimte te kunnen beheersen. Deze ruimte was immers niet langer van de burgers maar van de politie.

Interessant is dat de politie de eerste belangrijke organisatie was waarmee de overheid een ‘democratischer’ omgangsregime tot stand bracht. Eenzelfde ontwikkeling zou zich bijvoorbeeld aftekenen nadat de tram, aanvankelijk een particuliere onderneming, rond de eeuwwisseling in gemeentelijke han­den was overgegaan. De welgestelden moesten er toen aan wennen dat alle standen door elkaar in één wagen zaten. Ze moeten bovendien wachten op een halte voordat ze mochten uitstappen, terwijl ze daarvoor met een kleine wenk konden aangeven waar zij eruit wilden. In een dergelijke verhouding pasten ook kleine fooien voor het trampersoneel; dat werd nu ongebruiklijk, ja zelfs ongepast. De standensamenleving werd hiermee uiteraard niet doorbroken, maar overheidspersoneel werd daar als het ware uit losgemaakt. En op de politie en het openbaar vervoer volgden meer diensten waar een vergelijkbaar effect van uit ging. Veel gebieden des levens, waarop de overheid tevoren nauwelijks een rol had gespeeld, zoals onderwijs, kinderverzorging, geestelijke gezondheid, ziekte, alcoholgebruik, huisvesting, arbeid, kregen nu een element van dwang, voorschrift, vergunning of controle door de lo­cale overheid of instanties die daar nauw mee samenwerkten. In dat proces, door Jan Romein aangeduid als ‘de wederzijdse doordringing van staat en samenleving’, gingen ook vrouwen een belangrijke rol spelen. Als woning­opzichteres bijvoorbeeld verloren ze de hen toegeschreven ‘zwakte’ en kon­den optreden als de gezaghebbende vertegenwoordigers van de staat.[9] Voor­alsnog werden geen vrouwen opgenomen in de nieuwe politie, dat was het gevolg van het feit dat de politie uiteindelijk ook fysiek geweld moest kunnen toepassen. En dat was weer nauw verbonden met het geweldsmonopolie van de politie, ook al was die nu verhuld.

Beschaafd niveau

Na de eeuwwisseling werd de nieuwe orde in de stad onmiskenbaar. Zo bezocht W.H. de Beaufort, oud­minister van Buitenlandse Zaken, die tal van functies in het openbare leven vervulde, in 1902 de stad. Bij een bezoek aan de schouwburg op het Leidseplein kwam hij naast hoofdcommissaris J.A. Franken te zitten:

 

‘Ik gaf hem mijne ingenomenheid te kennen met den tegenwoordigen rusti- gen toestand. Voor eenige jaren werd men in de winter altijd geplaagd met de optochten van zoogenaamde werkeloozen, die dikwijls de wandeling op straat moeielijk maakten. Thands, niettegenstaande er twee werkstakingen in gang zijn – een van de diamantwerkers en een van de opperlieden en metselaars – zag men op straat niet de allerminste vertooning. De hoofd- commissaris zeide mij dat hij vooral in dit opzicht veel dienst had van de bereden politie, en dat men er tegenwoordig dadelijk bij is om de minste beweging op straat te stuiten. Ik vroeg hem of het personeel der inspecteurs, waarover vroeger nog al geklaagd was, tegenwoordig beter was. Hierop antwoordde hij mij, dat hij jongelieden van fatsoenlijken huize, die de cursus Hoogere Burgerschool 5-jarig hadden afgeloopen, voor deze betrekking opleidde. Zij werden praktisch geoefend en moesten ook nog een examen afleggen: talen, aardrijkskunde, strafrecht enzovoorts. Zoodoende kreeg men van lieverlede een zeer beschaafd personeel aan de politie verbonden.’ [10]

De klassenstrijd was onder controle en het personeel langzamerhand op beschaafd niveau. Zoals gezegd, aanvankelijk rees er nogal wat verzet tegen dit nieuwe regime, maar naarmate stedelingen er gewend aan raakten, kwamen er klachten binnen over niet optreden van politieagenten. De klachten over het verkeer en de baldadige jongens leken zelfs erger te worden, wat er wel­licht vooral op wijst dat de nieuwe normen geïnternaliseerd waren en de ver­antwoordelijkheid van de politie om deze te handhaven onomstreden was. Zo publiceerde Het Nieuws van den Dag in 1912 een fel­realistische rapportage over de verkeerschaos:

 

‘Niet later dan gisteren was ik er op den Singel, geen twintig passen van het politiebureau, – ’t is waar dat het verkeer per as daar zeer druk is – getuige van, dat een agent van politie als door slaapverbijstering aangegrepen en tegelijkertijd met lamheid geslagen een kluwen voertuigen stond aan te gapen, onder ’s mans eigen oogen zóó jammerlijk inéén gewurmd, dat het een wonder is, dat dit rollend materiaal nog ooit uit elkaar is geraakt.
Het eerste kwartier zag de ordebewaarder het kalm aan, hoe de boel in elkaar ráákte, het tweede kwartier, hoe de boel in elkaar was geraakt, en het derde, hoe de karrevoerders elkaar stijfvloekten bij hun pogingen, weer vlot te raken.’ [11]

 

Berichten over straatjongens bevatten steeds de zinsnede ‘toegenomen bal­dadigheid’. Het Algemeen Handelsblad was in 1908 zelfs van oordeel dat hier iets aan gedaan moest worden, aangezien anders het gehele Nederlandse volk ten onder zou gaan: ‘niet alleen de straatjeugd, maar ook het publiek moet opgevoed worden door tucht, doordien elk ondervindt dat straf op de lee­lijke streek even onmiddellijk volgt, als een brandwond volgt op aanraking met een gloeiende kachel.’ [12] Het jaar daarop werd er zelfs een Tucht­Unie opgericht die vooral jongeren wilde bijbrengen dat enige zelfbeheersing geen kwaad kon: ‘De Unie beoogt geenszins van onze natie een naar Pruisisch model gedrild volk te maken, maar wel op te leiden tot orde en regel, ook in het belang van onze zedelijke kracht.’ [13] Desondanks moest eigenlijk al betrekke­lijk snel worden vastgesteld dat met dit nobele streven niet veel vorderingen werden gemaakt, zodat in 1914 de vraag opkwam hoe dat nu te verklaren viel:

 

‘Waar komt die onwellevendheid, dat gebrek aan beschaving bij een deel van ons volk uit voort? Als wij dat eens goed begrepen, zou het zoeken naar een geneesmiddel allicht gemakkelijker gaan. Vermoedelijk is er meer dan een verklaring, werken verschillende oorzaken er toe mee.
Zou niet een van de voorname redenen zijn het groote standsverschil bij onze natie? Bij weinig volken is er zoo lang een zoo groote afstand geweest tusschen de heeren en wat dan het volk heette dan onder ons. En nog. De regententijd en zijn nawerking.

Dat had vooreerst ten gevolge, dat de goede vormen, waartoe ongetwijfeld de beleefde behandeling van vreemdelingen en in het algemeen van onbekende personen behoort, zich niet gemakkelijk van den kleinen kring naar den grooten konden verbreiden.

Een tweede gevolg was een soort vijandschap van de lagen tegen de hoogen. Het volk voelde zich achteruit gezet, er onder gehouden, gering geschat, en toen allengs, bij het wijzigen van maatschappelijke en ekonomische omstandigheden en het verbleeken van godsdienstige of kerkelijke invloeden, het gevoel van onderdanigheid verdween, ging zich die bewuste of onbewuste vijandigheid tegen alles wat ‘heer’ of ‘dame’ is uiten, in spot, schimpscheuten en erger. Nog een gevolg was, dat de lang als minderwaardig behandelde stand geen gevoel van eigenwaarde kreeg. En dan is men het zich niet als iets onwaardigs bewust, voorbijgangers, vreemde bezoekers na te roepen, uit te jouwen, met steenen te gooien, roeiers die onder een brug doorgaan te bevuilen en zich op andere manieren meer te misdragen.’ [14]

Het is een lang citaat, maar het gaat hier dan ook om een mooie poging tot sociologische verklaring. Om het in latere termen te gieten: de proletarische achterhoede misdroeg zich, omdat het distinctiegedrag van de bourgeoisie te sterk was om imitatiegedrag mogelijk te maken. Het gaat hier om de prehis­torie van Jacques van Doorn en Norbert Elias. En deze verklaring zou voor een goed deel ook wel waar kunnen zijn. Een bevestiging daarvan is te vin­den in het drankgebruik. Uit een studie van Jacques van der Stel over drank­misbruik blijkt dat in de negentiende eeuw aanzienlijke hoeveelheden drank werden genuttigd, maar dat rond de overgang van de negentiende op de twin­tigste eeuw het alcoholgebruik scherp begon te dalen. [15] Dat was echter niet het resultaat van overheidsbeleid en al evenmin van goedwillende dames en heren die aan drankbestrijding gingen doen. Het was vooral het effect van de arbeidersorganisaties, die in eigen kring het besef wisten te verbreiden dat te­veel drinken niet fatsoenlijk was. Die arbeidersorganisaties – met de ‘gezeten werkman’ als kern – vormden dus als het ware de noodzakelijke tussenstap, tussen ‘hoog’ en ‘laag’. Dat zou ook verklaren dat het drankgebruik pas rond de eeuwwisseling ging dalen, want toen pas wisten arbeidersorganisaties een betekenisvolle omvang te verwerven. Pas nadat het standsonderscheid niet zozeer was opgeheven, maar wel zijn attributieve scherpte verloren had, de jaren zestig van de twintigste eeuw, begint het alcoholgebruik weer even snel te stijgen, als het tevoren gedaald was.

Sociale taak

Deze verklaring vormde in feite ook de achtergrond van een aantal opvat­ tingen van hoofdcommissaris van politie Th. M. Roest van Limburg. Hij had die functie in Rotterdam bekleed en was in januari 1914 naar Amster­ dam gehaald, waar hij zich ontwikkelde tot een van de meest interessante hoofdcommissarissen die de stad gekend heeft. Als een amateur socioloog verdiepte hij zich in de achtergronden van criminaliteit, baldadigheid en ander ongerief. Daarover schreef hij in 1914 in De Gids:

 

‘Mijn ambt is mij in menig opzicht een openbaring geweest. Het heeft mij in aanraking gebracht met tal van menschen die vroeger buiten mijn omgangskring lagen en mij daardoor genezen van veel standsvooroordeel. Het heeft mij toestanden doen kennen waarvan ik het bestaan nimmer had vermoed, die ik eenvoudig onbestaanbaar had geacht, en mij daardoor rijker gemaakt aan ervaring. Het heeft mij gedwongen mij bezig te houden met vraagstukken van socialen en anderen aard, die vroeger maar zwak mijn belangstelling hadden en daardoor mijn inzicht tot klaarheid gebracht omtrent veel wat mij tot dusver slechts dwarrelig voor oogen stond. Het heeft mij doen begrijpen wat vroeger onbegrepen voor mij was en daardoor mijn oordeel zachter gestemd omtrent opvattingen en geestesstroomingen, die ik vroeger als strijdig met aangeleerde en conventioneele begrippen had afgekeurd. Het heeft mij – tot zekere hoogte althans, want die kunst is moeilijk – het volk leeren verstaan.’ [16]

Het was niet alleen een poging om de kloof tussen volk en elite te verkleinen, maar deze opvatting bepaalde ook zijn gedachten over de aard van het politie­ werk. Hij sloot aan op de traditie van de ‘nieuwe politie’ van 1878, maar zette deze voort als ‘de nieuwere politie’. De kern van het werk was naar zijn oordeel niet het vangen van boeven, al moest dat ook gebeuren. De politie had vol­gens hem echter vooral een sociale taak: ‘in het kort gezegd, van handreiking aan allen, die ten bate van het algemeen, een beroep doen op haar veelvermo­genden invloed en krachtige hulpmiddelen, of putten willen uit de rijke schat van haar groote sociale kennis.’ Hier presenteerde Roest van Limburg dus de politie als een organisatie die zich had losgemaakt van ‘overwegingen van conventie of fatsoen’ en die als geen ander de samenleving kende en begreep. De tijden waren veranderd: het gezag kon niet langer met een zo nodig hard­handig optreden worden afgedwongen, maar diende verworven te worden met tact en begrip voor het lastige leven waarin velen leefden.

 

‘De bedoeling van de nieuwe school is: de politie te maken tot een orgaan in den staat dat men niet alleen vreest maar in menig geval ook met vertrouwen zoekt; dat, van hoog tot laag, meêwerkt aan de taak, die toch maar aller taak is van wie in het openbare leven staan: verheffing, versterking en daardoor verbetering van de maatschappij.’ [17]

 

In die opvatting paste ook dat Roest vrouwen aanstelde; die werden in een hokje op het Leidseplein geplaatst om spijbelende jongens op te pakken en te­rug naar school te brengen. De band tussen politie en burgerij, die in 1878 was doorgesneden, werd hier op een nieuwe manier weer aan elkaar geknoopt. Het geweldsmonopolie werd uiteraard niet opgegeven, maar de discretionaire bevoegdheid van de politie werd hier maximaal opgerekt. Het zwaartepunt lag niet op correctie en zelfs niet zo erg meer op preventie, maar op verhef­fing. Dit programma zou niet gerealiseerd worden, al was het maar omdat hij in functie was in een extreem lastige periode, de Eerste Wereldoorlog. Begin 1919 nam hij wegens gezondheidsredenen afscheid van de dienst.

Er ging een ander, belangrijk probleem schuil achter het nobele ideaal van Roest. Aanvankelijk had de overheid, of in meer algemene termen ‘de poli­tiek’, het zich kunnen veroorloven de politie te zien als een relatief simpele uitvoeringsorganisatie. Maar Roest van Limburg zette deze Weberiaanse verhouding op scherp. Als de politieorganisatie overtuigd was van het ei­gen inzicht in de maatschappelijke verhoudingen, dan kon het bevoegd ge­zag (burgemeester en openbaar ministerie) weerwerk worden geleverd. Om de politie op niveau te kunnen blijven aansturen, diende het bevoegd gezag deze te volgen in de ‘sociologische’ professionalisering, zoals omgekeerd de politie in haar functioneren afhankelijk was van een analytisch sterk be­voegd gezag. Dat vergde dat de politiek zich niet alleen bezighield met de manier waarop de politie georganiseerd diende te worden – in feite draaide dat voortdurend om twee problemen: de verhouding tussen het locale en na­ tionale niveau enerzijds en de verhouding tussen de ordehandhavende en de justitiële component anderzijds – maar vooral over de vraag wat nu eigenlijk de kern was van het politiewerk. Dat vergde ook vooruitzien – doorgaans niet de sterkste kant van politici. Hier leek zich een verhouding af te kunnen gaan tekenen van wederzijdse afhankelijkheid – inclusief de mogelijkheid van wederzijdse frustratie.

Vooralsnog waren dit soort problemen niet werkelijk aan de orde in Amster­dam. De nadruk kwam in het Interbellum op ordehandhaving te liggen, wat ook wel te begrijpen valt, gezien de aanhoudende dreiging van grote sociale onrust in de crisisjaren. Tijdens de oorlog verloor de Amsterdamse politie echter vrijwel elk gezag door medewerking te verlenen aan het Duitse bezet­tingsregime; de ‘zuivering’ daarna was gebrekkig. Daarop volgden bovendien forse bezuinigingen, waardoor de politieagenten werden ‘ingeblikt’: ze reden rond in auto’s en verdwenen vrijwel van de straat. De openbare ruimte viel weer vrij en werd met name door Provo enthousiast benut. De politiek – gepersonifieerd in de ongelukkige burgemeester Van Hall – verergerde de situ­atie nog door zo min mogelijk na te denken over de politie. Voor zover de politie nog een prestigeslag aanging, liep dat niet goed af. Daarop brak het grote gedogen uit, waarmee de politie nauwelijks houvast werd geboden.

De hierboven geschetste ontwikkeling is ook af te lezen aan de stad. Politie­bureaus waren aanvankelijk verwaarloosde en vervuilde gebouwen, waar zo min mogelijk geld aan werd besteed. In 1908 kwam Hendrik Voordewind – die later een grote bekendheid zou verwerven als auteur van De commissaris vertelt – als 21­jarige HBS’er uit Leeuwarden naar Amsterdam om bij de politie te gaan werken. De eerste blik op de dienstgebouwen was niet bemoedigend:

 

‘Enkele leken van buiten nog wel iets, maar de meeste waren van binnen
niets meer dan krotten. Soms waren er een of twee behoorlijke vertrekken, bestemd voor de chefs, maar de lokalen voor de manschappen waren vrijwel zonder uitzondering akelige, sombere hokken, zonder het minste comfort. Daar moesten zij op ongemakkelijke stoelen en banken hun rusttijden door- brengen, hun schrijfwerk verrichten en hun eten nuttigen, terwijl er dronken kerels en allerlei gespuis, dikwijls in verregaande staat van vervuiling, binnen werden gebracht.’ [18]

Politiebureau no. 14

Daarop was één belangrijke uitzondering – het bureau waar Voordewind zou beginnen – namelijk Politiebureau no. 14 op het Leidseplein. Een oude politie­post bij het plein moest wijken voor een uitbreiding van het hotelgedeelte van Americain en daarop werd in 1900 een nieuw gebouw opgetrokken, vijf verdiepingen hoog, met een elegante art deco versiering rond de ingang. Het zichtbaar worden van de politie kreeg, met enige vertraging, nu ook een ver­taling in de huisvesting: de plaats die de politie in de stedelijke samenleving was gaan vervullen werd nu bevestigd door een gebouw met allure te realise­ren. Het gespuis werd voortaan keurig opgevangen.

In dat nieuwe pand was het politiebureau op de benedenverdiepingen ge­vestigd, daarboven werden appartementen ingericht. Er werd gefluisterd dat daar hoofdcommissaris Franken zou gaan wonen, maar dat bleek niet het geval, ze werden verhuurd. Maar het gerucht maakt in ieder geval duidelijk dat het gebouw in stijl niet misstond op dit prestigieuze punt in de stad: recht tegenover de Schouwburg, schuin tegenover Americain en ongeveer naast het Hirsch­gebouw. En als in een reactie op de klachten van Voordewind was ook binnen het gebouw voldoende aandacht besteed aan de ruimte voor de agenten. De commissaris zat natuurlijk op de eerste verdieping, met uitzicht over het plein. Maar in de kelder was voor de agenten een apart nachtverblijf en een ruime badkamer, terwijl op de begane grond een dagverblijf was met zelfs een aparte ‘waschplaats agenten’. [19] Maar vooral het uiterlijk van het ge­bouw liet zien dat politiepersoneel niet langer een ‘infaam beroep’ vertegenwoordigde, dat de politie erkenning had gevonden als een essentiële functie in de samenleving met een eigen professionaliteit.

Het nieuwe bureau stond niet alleen in het centrum van het burgerlijk uit­gaansleven van de stad, maar bleek zich ook bij het epicentrum te bevinden van de nieuwe jeugdcultuur. Deze zou zich, vanuit een klassieke bohemien­traditie, in de jaren vijftig ontplooien vanuit café Eijlders en café Reijnders. Robert Jasper Grootveld verdiende op het plein enige tijd de kost als glazen­wasser van het Hirsch­gebouw, inmiddels een Apple­store. Rond dat plein begon de marihuana haar zegetocht, terwijl politieagenten de betrapte ge­bruikers meenamen naar bureau Leidseplein, waaronder Grootveld, Simon Vinkenoog, Jan Cremer en Johnny van Doorn. Maar zoals de idealen van Roest waren verdampt, zo zou ook dit fraaie politiebureau sneuvelen. Nadat de politie het bureau verplaatst had naar de Lijnbaansgracht werd het gebouw betrokken door Henk de Vries. Die was zijn loopbaan in de handel begonnen met het verkopen van wiet op het vermaarde popfestival in het Kralingse Bos (1970). Eind 1975 had hij van zijn vader een seksshop op de Wallen overgeno­men, die langzaam werd omgevormd tot een coffeeshop. Tien jaar later open­ de hij de deuren van een zaak die wereldfaam zou verwerven: The Bulldog. [20] Plein en politie waren uit elkaar; de riskante gewoonten van het moderne uitgaanspubliek zouden voortaan vanaf de Lijnbaansgracht onder controle worden gehouden. Op een prachtig pand aan het Leidseplein misstaat nu het luidruchtige logo van The Bulldog, maar daartussen prijkt nog steeds in sier­lijke letters: Politiebureau No. 14 en daarboven, Anno 1901.

Hierbij wil ik vooral Guus Meershoek en Han Kapsenberg dankzeggen voor hun commentaar op een eerdere versie.

Amsterdam. Gids met platen (Amsterdam 1882), p. 42.

Handelingen Tweede Kamer 1858-1859, zitting 30 november 1858, p. 214.

 

Simmel, Georg. ‘Die Großstadt und das Geistesleben.’ In: Georg Simmel, Aufsätze 1901- 1908. Electronic edition, p. 227-242.

Johan Gram. ‘In het Palais Royal. Uit eene correspondentie.’ In: De Gids 31 (1867), p. 532-561, hier p. 540-542.

Guus Meershoek, ‘De stad onder toezicht.’ In: P. de Rooy (red.), Waakzaam in Amsterdam (Amsterdam, 2011), p. 295-359.

P.W. Steenkamp en H.G. van Doesburgh. Handboek voor de dienaren van policie (Amsterdam, 1879), p. 21.

Idem, p. 35.

Idem, p. 102-103.

José Harris. Private lives, public spirit: Britain 1870-1914 (London, 1994), p. 216 en p. 195; cf. Stefan Dudink, Deugdzaam liberalisme. Sociaal- liberalisme in Nederland 1870-1901. (Amsterdam, 1997), p. 181 e.v.

Willem Hendrik de Beaufort. Dagboeken en aantekeningen. (’s-Gravenhage, 1993), p. 169.

Het Nieuws van den Dag, 5-12-1912.

 

Algemeen Handelsblad, 12-03-1908.

Het Nieuws van den Dag, 24-05-1912.

‘Barbaarsch Nederland.’ In: Neerlandia 18 (1914) [via: www.dbnl].

J.C. van der Stel. Drinken, drank en dronkenschap. (Hilversum, 1995), p. 69.

Th. M. Roest van Limburg, ‘Sociologische fragmenten.’ In: De Gids p. 78 (1914), p. 72-98: hier p. 72.

Idem, p. 73.

H. Voordewind. Commissaris omnibus. (Den Haag, 1963), 248.

Zie plattegrond in Beeldbank Stadsarchief Amsterdam onder adres Leidseplein 17.

Annegriet Wietsma, ‘The Bulldog op het Leidseplein.’ In: Ons Amsterdam (juni) 2007, 239.