De universiteit

Wat het Internet ons kan leren over de verschuivende relaties tussen onderzoek en samenleving

[1]

Noortje Marres

 

Het Internet wordt sinds jaar en dag geassocieerd met grensoverschrijdingen. Of het Internet dit ideaal inderdaad belichaamt staat in toenemende mate ter discussie. Digitale netwerken worden gestaag dichtgetimmerd, onder meer door de opmars van besloten platforms, zoals de sociale netwerksite Facebook en de App store van Apple, waar je alleen nog met een wachtwoord binnen­ komt. Ook in figuurlijke zin, zou je kunnen zeggen, heeft het Internet zijn aangeboren tolerantie voor grensoverschrijding en transgressie grotendeels verloren. Met behulp van metaforen en interface ontwerpen zijn aanzienlijke delen van het Internet omgetoverd tot besloten ruimtes. Online bezoeken we tegenwoordig een ‘loket’, en vullen we ons ‘winkelwagentje’ (Van den Boomen, 2008). Ondanks deze beperkingen worden digitale netwerken nog altijd in verband gebracht met overschrijding en verplaatsing. Online krijgt de fantasie de ruimte als nergens anders. Hier klinken – vul in: marginale, radicale, kwetsbare – stemmen die elders geen gehoor krijgen. Hoezeer men ook probeert greep te krijgen op het medium met behulp van beveiligingssystemen en behapbare metaforen, het Internet blijft verbonden met extra­institutionele praktijken, waar maatschappelijk onaangepasten, hackers, piraten, en protestbewegingen hun gang gaan. Het Internet stelt ons hiermee voor een interessante uitdaging: het daagt ons uit het idee van grensoverschrijding verder te specificeren.

Het ambivalente karakter van het Internet stelt intellectuelen voor een dilemma, net als zoveel technologische verschijnselen eerder hebben gedaan (Woolgar, 2002; De Vries, 1999). Enerzijds vereist de idealisering – en demoni­sering – van het Internet als een extra­institutioneel domein een sceptische reactie. Het is de taak van kritische denkers en onderzoekers om de fantasie van het Internet als zone van overschrijding en ‘exodus’ te ontzenuwen, en te laten zien dat dit medium net als alle andere niet ontsnapt aan pogingen tot maatschappelijke inkapseling en ‘domesticatie’. Anderzijds is het sociale en culturele denken en het onderzoek zelf gegrepen door de metafoor van het Internet als domein van grensoverschrijding: nergens anders dan op het Internet zijn zoveel cultureel, politiek en sociaal extravagante verschijnselen te bestuderen! Dat wil zeggen: filosofen en wetenschappers hebben zich zelf in groten getale tot het Internet gewend om hen dierbare, maar fragiele sociale en politieke fenomenen te onderzoeken: diaspora’s, genderspecifieke culturen, buiten­lichamelijke ervaringen, en deliberatieve, op argumenten­ uitwisseling gestoelde, democratie. Tenslotte is het netwerkkarakter van digitale media nog op een fundamenteler, conceptueel niveau aanlokkelijk voor sociale en politieke onderzoekers en denkers. Een aantal sleutelbegrip­ pen uit de recente sociale en politieke theorie lijkt moeiteloos toepasbaar op door digitale netwerktechnologie ontsloten domeinen: het sociale netwerk, het sociologische spoorzoeken (‘traceability’), en het begrip van de verplaatsing van maatschappelijke verschijnselen zoals de wetenschap en de politiek (Latour, 1998).

Scepsis of voordeel

Wat te doen? Moet de sociale en politieke theorie en wetenschap zich wel of niet laten verleiden door de verbeelding van het Internet als instrument en locus van ‘grensoverschrijding’? Verdient deze metafoor onze scepsis, of kunnen we er juist ons voordeel ermee doen? Ik wil hier het begrip ‘verplaatsing’ verkennen als middel om het Internet in sociale en politieke zin te duiden. Ik zal mij daarbij, niet geheel onzelfzuchtig, richten op één maatschappelijke praktijk in het bijzonder, die van het sociale onderzoek zelf. Mijn vraag is dan: is er door de komst van het Internet sprake van een ‘verplaatsing’ van het sociale onderzoek? Neemt de sociale analyse dankzij het Internet een andere plaats in binnen onze samenleving? Mijn doel hierbij is om het vermogen van het Internet tot grensoverschrijdingen en verplaatsingen te preciseren. Daar­ bij wil ik één grote vraag niet van een sluitend antwoord voorzien. Volgens beproefd sociologisch recept wil ik in het midden laten in hoeverre de associatie tussen het Internet en grensoverschrijding aan de technische kenmerken van het Internet ‘zelf’ moet worden toegeschreven, of aan de maatschappelijke ‘perceptie’ ervan (Bijker et al, 1992).[2] In plaats van dit soort oorzakelijke verbanden te onderzoeken, wil ik proberen om aan de hand van Internet­ gerelateerde praktijken het sociaal­technische – en/of politiek­technische – concept van ‘verplaatsing’ zelf te verduidelijken.

Zo wil ik de aandacht vestigen op een verwant begrip dat in de sociale en politieke theorie gebruikt wordt om het maatschappelijke en publieke belang van verplaatsing te benadrukken, dat van de ‘herverdeling’. Het Internet kan naar mijn idee wel degelijk verbonden worden met ‘een belangrijke institutionele en kennispolitieke verschuiving’, om de formulering van de samenstellers van deze bundel te gebruiken. Zij hebben ons een grote dienst bewezen door daarbij het sociale en politieke concept van de ‘grensoverschrijding’ naar voren te schuiven. Maar om hedendaagse veranderingen in de verhouding tussen wetenschap, technologie, samenleving en politiek op waarde te schatten, moeten we begrijpen dat grensoverschrijding niet alleen een verplaatsing van a naar b is. Het brengt ook verschuivingen in de rolverdeling tussen actoren met zich mee.

Digitalisering of Internet

Wie de sociale en politieke implicaties van de opkomst van het Internet wil verkennen, kan gebruik maken van verschillende conceptuele kaders. De notie van ‘digitalisering’ verdient daarbij wat mij betreft de voorkeur boven het begrip ‘Internet’, om een aantal redenen: ‘Het Internet’ wekt de misleidende suggestie dat het hier om een eenvormig verschijnsel zou gaan, dat stabiel genoeg is om er eenduidige eigenschappen aan toe te kennen. Digitalisering, daarentegen, plaatst het procesmatige karakter van elektronische communicatie op de voorgrond: de verspreiding van digitale netwerken, instrumenten en data door het maatschappelijk leven is een voortgaand en onvoltooid proces. Waar het om de sociale en politieke implicaties gaat, is het bovendien van belang dat dit proces verbonden wordt met specifieke maatschappelijke praktijken en instellingen zoals de digitalisering van de overheid, het gezinsleven, enzovoort. Tenslotte veranderen digitale online media zelf continu van vorm: van het World Wide Web tot sociale platforms als Twitter, van desktopcomputer tot tablet. Om al deze redenen zal ik het hier vooral over digitalisering hebben en niet over het Internet in algemene zin.

Allerlei maatschappelijke instellingen en praktijken worden zoals gezegd geraakt door digitalisering, maar het sociale onderzoek neemt een bijzondere plaats in. Met enige overdrijving kunnen we zeggen dat digitalisering de verhoudingen tussen het ‘subject’ en het ‘object’ van sociaal onderzoek ter discussie stelt. Drie kenmerken van digitalisering zijn hiervoor in het bijzonder van belang.

De meest relevante ontwikkeling is de verspreiding van nieuwe instrumenten, genres en formats voor het vastleggen van het sociale leven. De afgelopen jaren is een reeks nieuwe digitale mogelijkheden ontstaan die mensen in staat stellen het sociale leven te documenteren en te becommentariëren als nooit te voren: van het online delen van foto’s via platforms als Flickr tot microbloggen via de smartphone. Deze technieken stellen hun gebruikers in staat om hun observaties over het sociale leven op grote schaal publiek te maken in de vorm van blogposts of meer geavanceerde digitale collages. Vooral in­ teressant vanuit sociologisch perspectief is het feit dat als gevolg van de verbreiding van dit soort praktijken, de productie van sociale data steeds nadrukkelijker onderdeel aan het worden is van sociale praktijken. Dat wil zeggen, sociale media plaatsen de productie van sociale data in alledaagse praktijken zelf – of dat nu gebeurt in de vorm van twitterende treinreizigers of slimme elektriciteitsmeters die vastleggen tot hoe laat tieners afgelopen zaterdag zijn opgebleven (Van Dijck, 2012). Maar dit soort ontwikkelingen zijn niet goed op waarde te schatten zolang we een derde partij buiten beschouwing laten: de opkomst van de netwerk­technologie heeft ook gevolgen gehad voor de analyse van digitale sociale data.

Data interpretatie

Vandaag de dag zit aan de meeste websites een hele analytische machinerie vast: een reeks instrumenten en diensten die specifiek gericht zijn op de statistische interpretatie van de data die deze sites genereren. Hoeveel bezoekers hadden we vandaag? Waar komen ze vandaan? Waar klikten ze deze week vooral op? (Helmond & Gerlitz, in press). De opkomst van deze machinerie heeft implicaties voor het sociale onderzoek. Je zou kunnen zeggen dat dit soort analytische instrumenten de maatschappelijke verbreding van het sociaal onderzoek actief ondersteunt, of zelfs in de hand werkt. Een relevant voorbeeld is ‘Yahoo Clues’, een online platform dat de data van zoekmachines beschikbaar stelt voor sociaal onderzoek. In de woorden van Yahoo zelf: dit platform maakt het mogelijk om ‘te ontdekken wat populair is bij een bepaalde groep van zoekmachine gebruikers – onderverdeeld in geslacht en leeftijd – op een bepaalde dag, een bepaalde week, of jaar.’

Yahoo Clues biedt toegang tot een databank met zoekopdrachten: gegevens over wie wanneer zocht naar welke termen. Het ontsluit daarmee een nieuw type van sociale data voor onderzoek, in de vorm van de miljoenen zoekopdrachten die mensen dagelijks bij Yahoo en andere zoekmachines plaatsen als onderdeel van het alledaagse leven (zie ook Rogers, 2009). Yahoo Clues biedt weliswaar geen toegang tot de data zelf, maar het platform biedt gebruiker­ onderzoekers de mogelijkheid om zoekmachine­data op leeftijd, geslacht en geografische locatie in te delen, en het maakt daarmee een specifiek sociale vorm van data analyse mogelijk. Yahoo Clues is hiermee een goed voorbeeld van de ‘verplaatsing’ van het sociaal onderzoek die door digitalisering mogelijk is geworden. Sociaal onderzoek wordt hier ingevuld als een populaire activiteit, waar ‘iedereen’ zich mee in zou kunnen laten. In die zin kan Yahoo Clues opgevat worden als een poging om het sociaal onderzoek van de academische wereld naar ‘de samenleving’ zelf te verplaatsen.

Verspreiding en concentratie

Sociologen en filosofen hebben de afgelopen jaren geprobeerd om de gevolgen van de digitalisering voor de sociale wetenschappen in kaart te brengen. Sommige auteurs proberen een positieve draai te geven aan de herwonnen populariteit van sociaal onderzoek, en constateren een radicale verbreding van het spectrum aan actoren, instrumenten en locaties die vandaag de dag betrokken zijn bij de observatie, documentatie en analyse van het sociale leven (Back, 2010). Deze auteurs zien in sociale media een duidelijk geval van ‘niet-­professionele onderzoekers die zich en masse bezig zijn gaan houden met het analyseren van het sociale leven.’ Rekken we de definitie van ‘sociaal onderzoek’ flink op, dan kunnen we vaststellen dat het dankzij het Internet een heropleving doormaakt. Heden ten dage doet vrijwel iedereen aan sociaal onderzoek, door vragen te stellen als: ‘Door hoeveel mensen worden collega’s X en Y gevolgd op Twitter?’ en ‘Hoeveel filmpjes over tandenpoetsen staan er op YouTube?’. Zo’n interpretatie roept herinneringen op aan het begin van de twintigste eeuw, toen in Europa en de Verenigde staten geëxperimenteerd werd met vormen van sociaal onderzoek waarbij gewone mensen via enquêtes betrokken werden in de beschrijving van het alledaagse leven (Hubble, 2006). Andere auteurs voelen zich aangetrokken tot de meer grimmige kant van het verhaal. In hun invloedrijke artikel ‘De naderende crisis van de empirische sociologie’ stellen de Engelse sociologen Mike Savage en Roger Burrows (2007) dat de digitalisering weleens de ondergang van de sociologie als een publieke vorm van kennis zou kunnen betekenen. In deze visie werkt digitalisering niet alleen de popularisering van het sociale onderzoek in de hand, maar ook de concentratie van onderzoekscapaciteit in de handen van een be­ perkt aantal bemiddelde onderzoekscentra, met grote IT bedrijven bovenaan de lijst. Preciezer gezegd: deze twee ontwikkelingen gaan hand in hand. Hoe meer de technologische praktijken van het verzamelen, annoteren en analyseren van sociale data verbreid raken, hoe verder de centralisering van sociaal onderzoek doorzet. Slechts een klein aantal onderzoekscentra zijn immers uitgerust voor de opslag, verwerking en waardering van de almaar grotere hoeveelheden digitale sociale data.

Het sociale en culturele onderzoek naar technologie heeft aangetoond dat schijnbaar tegenstrijdige kenmerken van een technologisch verschijnsel in sommige opzichten juist in elkaars verlengde liggen. Zo weten we uit het sociaal onderzoek naar consumptie dat de dynamiek van popularisering en infrastructurele concentratie elkaar geenszins uitsluiten. Integendeel: popu­ laire merken als Nike worden juist gekenmerkt door een specifieke combinatie van aan de ene kant verspreiding in allerlei vormen – zij dringen diep door in het sociale leven – en aan de andere kant, sterk gecentraliseerde processen van ontwerp, productie en marketing, en van het regisseren van het verschijn­ sel Nike meer in het algemeen (Lury, 2004). Wie stelt dat de maatschappelijk verbreding van het sociale onderzoek hand in hand gaat met de centralise­ring van de technologische capaciteit die haar mogelijk maken, wijst dus op een bekend verschijnsel in de postindustriële samenleving. Het enige is dat deze dynamiek nu van toepassing blijkt op het sociale onderzoek zélf.
Maar we moeten ons niet blindstaren op deze algemene vormen van de verplaatsing van onderzoekscapaciteit – van de academie naar het bedrijfsleven, of van experts naar amateurs. Daarmee zouden we namelijk een meer fijnmazige dynamiek uit het oog verliezen: de herverdeling van onderzoekstaken tussen de verschillende actoren die betrokken zijn in digi­taal sociaal onderzoek.

Winnaars

Het wetenschaps­ en technologie­onderzoek, dat de afgelopen decennia ondermeer in Nederland is ontwikkeld, heeft de aandacht gevestigd op dit laatste aspect van verplaatsing (De Vries, 2007). Filosofen en sociologen in dit onderzoeksveld hebben betoogd dat de verplaatsing van maatschappelijk verschijnselen in de regel veel meer om het lijf heeft dan alleen een verhuizing van verschijnselen van de ene naar de andere institutionele locatie. Verplaatsing gaat in de regel hand in hand met herverdeling: wanneer verschijnsel x of y wordt geïntroduceerd in een nieuwe setting, dan is het waarschijnlijk dat daarmee de rolverdeling tussen de betrokken actoren verandert. Dit argument lijkt me van bijzonder belang voor een goede analyse van de gevolgen van de digitalisering voor het sociale onderzoek, en ook voor de verhouding tussen wetenschap en samenleving in het algemeen.

We moeten twee verschillende begrippen van verplaatsing uit elkaar zien te houden. Het eerste begrip van verplaatsing kunnen we structuralistisch noemen, omdat het de aandacht vestigt op de institutionele locatie waarin verschijnsel X of Y uiteindelijk gevestigd raakt of zal raken. Deze opvatting van verplaatsing is gericht op de stabilisatie van verschijnselen. Hier staat de vraag centraal welke sociale instelling als winnaar uit de bus komt van maatschappelijke en politieke veranderingsprocessen: waar concentreert zich de politieke macht na de opmars van de globalisering: in de natiestaat of in boven­gouvernementele instellingen zoals de EU? Wie beheerst de milieu­agenda na de sociale en culturele hype rond duurzaamheid van de afgelopen jaren? Het bedrijfsleven, de overheid, of niet-­gouvernementele organisaties? Door de sociale en politieke vraag naar verplaatsing zo te formuleren, wordt politieke macht of maatschappelijke invloed voorgesteld als een enkelvoudige substantie, die zich uiteindelijk slechts in één bepaalde locatie kan bevinden. Het begrip verplaatsing zoals dat in het wetenschapsonderzoek ontwikkeld is, en in het bijzonder in de zogeheten actor­-netwerk theorie, geeft een an­dere voorstelling van zaken. Historische, sociologische en filosofische stu­dies naar de rol van wetenschap en technologie in het sociale leven hebben uitgebreid aandacht besteed aan de vraag of en hoe deze verschijnselen zich door de samenleving verplaatsen: van het R&D laboratorium naar ‘de praktijk’, of van pionierspraktijken naar kennisinstituten (Latour, 1988; zie ook Marres, 2005; Oudshoorn en Pinch, 2003). Een aantal van deze studies heeft gewaarschuwd voor een te simplistisch begrip van verplaatsing. De cruciale vraag is niet alleen of en hoe macht of invloed zich verplaatst van de ene maatschappelijk instelling naar de andere. Verplaatsing moet opgevat wor­den als een veel complexer en fijnmaziger proces: de verplaatsing van een verschijnsel heeft consequenties voor de relaties tussen de betrokken acto­ren, die gezamenlijk het verschijnsel in kwestie helpen realiseren (zie ook Dijstelbloem, 2008). Dit laatste begrip van verplaatsing is processueel en legt de nadruk op herverdeling. Passen we dit begrip toe op het vraagstuk van de digitalisering, dan is de vraag niet alleen in welke bestemming het on­derzoek zich concentreert als gevolg van de digitalisering – de ICT­-industrie, de samenleving of leken­gebruikers. De vraag is of en hoe digitalisering de rolverdeling tussen maatschappelijk actoren in het sociale onderzoek op losse schroeven stelt.

Uitwisseling

Het wetenschaps-­ en technologie-­onderzoek – of, in het Engels, STS, naar Science, Technology and Society – stelt dat we voor een goed begrip van de rol van wetenschap en onderzoek in de maatschappij in het bijzonder aan­ dacht moeten besteden aan processen van uitwisseling tussen betrokken actoren (Latour, 1988; zie op dit punt ook Bijker et al, 1992). Deze benade­ring laat zien dat de ontwikkeling van nieuwe kennis en technologie in de regel gepaard gaat met een complex aan interacties en transacties tussen een uiteenlopende verzameling van actoren: onderzoekers, onderzoeks­ subjecten, subsidiegevers, infrastructuur beherende instanties, techneuten, beleidsmakers, enzovoort. Vanuit dit perspectief gaat het in wetenschap en innovatie primair om de overdracht van informatie en materialen – en om de overdracht van meer complexe zaken zoals ‘handelingsvermogen,’ tussen de verschillende actoren die bij deze processen betrokken zijn (Cussins, 1996). Om een paar concrete voorbeelden te geven: als mensen ermee instemmen om geïnterviewd te worden, of als ze monsters van dit of dat beschikbaar stel­ len, als een culturele instelling een onderzoeker toelaat tot haar archieven, vinden in al die gevallen transacties plaats die cruciaal zijn voor de totstand­ koming van nieuwe kennis of technologie.

Een ander relevant voorbeeld uit de sociale wetenschappen is het doelgroepen onderzoek. Deze vorm van onderzoek is afhankelijk van bijdragen van een heel spectrum aan actoren: van bureaus die onderzoekssubjecten selecteren tot aan de managers van de onderzoekscentra waar de doelgroepen bijeenkomen, en de maatschappelijke en overheidsinstellingen die opdracht geven tot dit type onderzoek (Lezaun, 2007; Grandclement et al, 2010).

Nemen we de bijdragen van deze actoren in acht, dan wordt duidelijk dat de opkomst van deze vorm van sociaal onderzoek niet alleen een verplaatsing mogelijk heeft gemaakt, maar ook een herverdeling. De opkomst van het doelgroepenonderzoek heeft er niet alleen toe geleid dat de onderzoekscapaciteit in deze of gene instelling geconcentreerd is geraakt, bijvoorbeeld in het bedrijfsleven. Dat zou buiten beschouwing laten in hoeverre het doelgroepen onderzoek de verhoudingen tussen de actoren betrokken in sociaal onderzoek herorganiseert, bijvoorbeeld tussen publieke en privé instellingen. Doelgroepenonderzoek brengt verschillende maatschappelijke actoren op een specifieke manier met elkaar in verband: marketing en beleid, openbare universiteit en privé sector, enzovoort. Deze vorm van sociaal onderzoek maakte het bijvoorbeeld mogelijk voor sociale weten­ schappers om hun ‘maatschappelijke relevantie’ te bewijzen, als experts en adviseurs op het gebied van de ‘publieke opinie’ en ‘trends’ (Kelty, 2012). In ditzelfde proces kregen nieuwe, gerelateerde voorzieningen een plaats in het sociale leven, zoals bijvoorbeeld opiniepeilingen en het fenomeen van de trend-­voorspelling.

De herverdeling van rollen geeft zo een specifieke invulling aan de verplaatsing van onderzoek: in plaats van op de herpositionering van onderzoek in een nieuwe maatschappelijke sector, legt het de nadruk op verschuivingen in de verhoudingen tussen verschillende actoren – leek en expert, publiek en privé, media en instituties – die een rol spelen in kennisproductie.

Simplisme

Deze benadering van verplaatsing heeft consequenties voor de manier waar­ op we de gevolgen van digitalisering voor het sociale onderzoek begrijpen. Het opent een kritisch perspectief op de meer sensationele diagnoses van de verplaatsing van het sociale onderzoek in het digitale tijdperk: als zou het sociale onderzoek zich verplaatsen van de universiteit naar de samenleving, of van de openbare universiteit naar privé instellingen. Voortbouwend op het wetenschapsonderzoek kunnen we stellen dat deze diagnoses leunen op een aantal aannames die te simplistisch zijn, zoals bijvoorbeeld het idee dat het sociale onderzoek zich vroeger wel hoofdzakelijk binnen de muren van de universiteit afspeelde. Zoals auteurs als Bruno Latour en Karin Knorr Cetina, maar ook ethno­methodologen als Harold Garfinkel en Mike Lynch, betoogd hebben is wetenschap altijd een collectieve onderneming.

Onze ideaalbeelden van wetenschap doen ons misschien anders geloven, maar wetenschappers waren vroeger ook niet de enige hoofdrolspelers in het wetenschappelijk onderzoek, of zelfs niet eens de hoofdrolspelers: een scala aan andere actoren, van onderzoekssubjecten tot beleidsinstanties, filantropen, lokale helpers en leken­experts hebben historisch gezien een beslissende rol gespeeld in de ontwikkeling van wetenschap (zie ook Hacking, 2004).

Zeker, de conventionele opvatting van wetenschap en innovatie maakt het moeilijk om de bijdrage van niet-­wetenschappers aan wetenschappelijk onderzoek op waarde te schatten. Wie de nadruk legt op de bijdrage van niet-­wetenschappers aan onderzoekspraktijken laadt al snel de verdenking op zich de status van onze kennis te willen ondermijnen: een wetenschap waarin niet­-wetenschappers een belangrijke rol spelen wordt bijna per definitie gezien als niet wetenschappelijk genoeg. Het sts begrip van de herverdeling van het onderzoek verzet zich nadrukkelijk tegen deze suggestie, omdat het wetenschap opvat als inherent aan een collectieve onderneming, waar­ aan een verzameling van actoren een bijdrage levert. Processen van kennis­ vorming kunnen vanuit dit perspectief het beste begrepen worden als activiteiten waarin zowel actoren binnen en buiten de universiteit, als de context, zoals de experimentele setting, belangrijk zijn.

Het bovenstaande heeft ook gevolgen voor onze waardering van de consequenties van digitalisering van het sociaal onderzoek. Willen we die consequenties doorgronden, dan moeten we niet alleen kijken naar de verplaatsing van onderzoekscapaciteit tussen maatschappelijke domeinen – dat wil zeggen weg van de universiteit, richting de populaire cultuur of het bedrijfsleven. We moeten onderzoeken of en hoe digitaliseringsprocessen verschuivingen met zich meebrengen in de verhoudingen tussen actoren, binnen en buiten de universiteit. De vraag is of en hoe digitalisering, de rolverdeling tussen actoren die betrokken zijn in sociaal onderzoek op losse schroeven zet. Een voorbeeld uit de praktijk van het digitale sociaal onderzoek kan verhelderen waarom we deze vraag bevestigend kunnen beantwoorden.

Facebook onderzoek

In een recente case studie van nieuwe media­ en wetenschapsonderzoeker Lonneke van der Velden (2010) onderzochten Van der Velden en collega’s activisme op Facebook, en zij richtten zich daarbij op de zogenoemde ‘action for­ mats’, of ‘handelingsvormen’, die op Facebook invulling geven aan activisme: tot welke handeling roept Facebook op? Het tekenen van een petitie, een boycot? Voor hun analyse gebruikten zij online software tools zoals de Google­ scraper – een instrument dat Google­data aggregeert en analyseert – om de distributie van termen op Facebook in kaart te brengen. Van der Velden et al. produceerden een overzicht van Facebook groepen die bepaalde ‘actie’­woorden in hun titels hebben, zoals ‘anti­…’, ‘boycot …’, ‘redt de …’. Vervolgens codeerden ze deze groepen voor de door hen voorgestelde handelingen, en deze bevindingen visualiseerde ze vervolgens in de vorm van tagclouds.

Kenmerkend voor een Web studie als die van Van der Velden is dat zij gebruik maakt van toepassingen en eigenschappen die karakteristiek zijn voor het nieuwe medium (Rogers, 2009). Van der Velden et al. maakten niet alleen gebruik van Google in hun onderzoek, hun studie biedt een analytische toepassing voor een informationeel genre dat op Facebook wijdverbreid is: de pro­- en anti­groep en de daarmee verbonden handelingsvormen (boycot, ondertekening). De formatie van online groepen en de stereotypering van activisme op Facebook verschafte deze studie een operationalisering van activisme, en je zou kunnen zeggen dat media­specifieke praktijken daarmee een actieve rol speelden in het onderzoeksontwerp van de case studie. Naar mijn idee heeft deze case studie hiermee de ‘herverdeling van het sociale onder­ zoek’ actief omarmd.

Richard Rogers heeft betoogt dat digitaal sociaal en cultureel onderzoek er goed aan doet zich de ‘methodes van het medium’ eigen te maken: dit onder­ zoek past onderzoeksmethodes toe die ingebed zijn in het medium, zoals bij voorbeeld de zoekmachine Google, die gebruikt maakt van netwerkanalyse om de relevantie van bronnen te bepalen (Rogers, 2009, zie ook Rieder et al., 2012). Je zou kunnen zeggen dat Van der Velden’s case study een stap verder gaat: hier worden niet alleen de methodes maar ook de sociale categorieën die in het medium toonaangevend zijn voor onderzoeksdoeleinden ingezet. Zoals gezegd maakt Van der Velden’s studie actief gebruik van een format die specifiek is voor het platform zelf: haar onderzoek naar Facebook activisme richt zich op online groepsvorming, een aan sociale media eigen organisatie­ vorm. Haar studie maakt zo actief gebruik van de sociale organisatievormen die op Facebook in zwang zijn. Haar studie spitste zich bovendien toe op de titels van pro-­ en anti­groepen, die zij selecteerde en ordende op basis van het aantal leden van deze groepen. Hiermee hanteert de sociaal onderzoeker een maatstaf van populariteit die ook door Facebook zelf gepropageerd wordt.

In Van der Velden’s case studie is het empirische object aanwijsbaar van invloed op de inrichting van het sociaal en cultureel onderzoek: de case study ontleent er zijn categorieën en maatstaven aan (zie ook Marres en Weltevre­ de, in press). Deze invloed van medium praktijken op de organisatie van het onderzoek wordt hier zelfs actief nagestreefd, en beslist niet verhuld als zou zulke invloed een smet zijn op een anderszins ‘zuiver’ onderzoeksontwerp. Hiermee werpt deze studie licht op een eigenschap van digitaal sociaal onder­ zoek in bredere zin.

Wanneer sociaal onderzoekers online instrumenten ter hand nemen, is de kans groot dat zij werkverbanden aangaan met platforms, software ontwikkelaars en analytische en visuele tools die normaliter gebruikt worden in contexten die weinig met sociaal onderzoek van doen hebben. Hierbij blijken inzichten relevant die al lang toonaangevend zijn in het wetenschapsonder­ zoek, zoals het idee dat onderzoek een collectieve praktijk is waaraan zowel mensen als apparaten actief bijdragen. In digitaal sociaal onderzoek blijken deze constructivistische inzichten direct van toepassing op het sociale onderzoek dat wij zelf verrichten. Digitaal sociaal onderzoek is onmiskenbaar een gedistribueerd proces. In digitaal sociaal onderzoek valt een herverdeling van onderzoekscapaciteiten tussen onderzoekers, technologie en sociale praktijken waar te nemen. Hiermee rijst de vraag: tot op welke hoogte maakt digitalisering het mogelijk om de rolverdeling in het sociaal onderzoek ter discussie te stellen? Het is duidelijk dat dit een andere vraag is dan de vraag die eerder in dit artikel aan bod kwam – de vraag naar de verplaatsing van het sociale onderzoek naar de samenleving en/of het bedrijfsleven. De kwestie is niet alleen welke maatschappelijke instellingen in het digitaal sociaal onderzoek zullen domineren. Wat evenzeer op het spel staat zijn de verhoudingen tussen verschillende actoren die betrokken zijn in het sociaal onderzoek – onderzoekers en onderzoekssubjecten, instrumenten en mensen.

Hierbij is nog een laatste inzicht uit het wetenschapsonderzoek relevant dat ik hier niet onvermeld wil laten: definiëren we onderzoek als een gedistribueerd proces, dan stellen we het onderscheid tussen de context en de inhoud van het onderzoek ter discussie.

Debatten over de consequenties van de digitalisering van het sociale onderzoek lopen geregeld uit op discussies over veranderingen in de materiële voorwaarden van de sociale wetenschap – in de technologische infrastructuur zoals in vormen van data opslag. Van veel aspecten van digitaal sociaal onderzoek is het echter moeilijk te zeggen of deze nu betrekking hebben op de voorwaarden van wetenschap of raken aan de inhoud van wetenschappelijke kennis zelf, of op geen van beide. Wijst onderzoek dat zijn gegevens aan Twitter ontleent op een verandering in de voorwaarden van sociaal onderzoek, omdat Twitter berichten zoveel sneller en in veel grotere hoeveelheden te verzamelen zijn dan andere typen sociale data (Leavitt, 2009)? Of ondergaat het concept van het ‘maatschappelijk vertoog’ hier een mogelijk diepgravende verandering, en daarmee ook het analytisch en empirisch instrumentarium waarmee we het bestudeerbaar maken? Niederer en Van Dijck (2010) hebben beargumenteerd dat het laatste het geval zou kunnen zijn, nu ‘het vertoog’ onder meer verwijst naar ambiti­ euze individuen die hun volgers met één-regelige berichtjes bestoken.

Gewone mensen

Het concept van de herverdeling van het sociaal onderzoek vestigt de aan­ dacht op een brede verzameling van actoren die betrokken zijn in digitaal sociaal onderzoek: online platforms, gebruikers, databases, software ont­ wikkelaars, algoritmes, IT bedrijven, commentatoren op de digitale cultuur, informatie­formats, sociale bewegingen en zo verder (zie op dit punt ook Madsen, 2012). Wie geïnteresseerd is in de gevolgen van de digitalisering voor het sociale onderzoek zal moeten bekijken in hoeverre deze actoren hun stempel drukken op het digitale sociale onderzoek. Maakt digitalisering nieuwe samenwerkingsverbanden in sociaal onderzoek mogelijk? Zet het de arbeidsverdeling tussen actoren in het sociale onderzoek, tussen onder­ zoekers en onderzoekssubjecten, en tussen onderzoekers en onderzoeks­ instrumenten, op losse schroeven? Deze benadering van digitalisering als een gelegenheid voor de herverdeling van het sociale onderzoek wijkt op een aantal punten duidelijk af van het idee van een structurele ‘verplaatsing’ van het sociale onderzoek.

De notie van herverdeling verschuift de aandacht van de externe relaties van sociaal onderzoek naar haar interne relaties. Het idee van structurele verplaatsing veronderstelt een vrij strikte scheiding tussen universitaire en andersoortige onderzoeksinstellingen – commercieel, politiek, maatschap­ pelijk. De stelling dat onderzoekscapaciteiten zich verplaatsen van de ene naar de andere sector accentueert dit onderscheid op zichzelf al. Nemen we daarentegen het idee van herverdeling als uitgangspunt, dan valt vooral op hoezeer in de digitale context sociaal onderzoek uiteenlopende actoren met elkaar in verband brengt: onderzoekers, software en software ontwikkelaars, bedrijfsleven en gebruikers oftewel ‘gewone mensen.’ (zie op dit punt ook Wyatt et al, 2012). De laatste benadering suggereert een redelijk losse definitie van sociaal onderzoek, één waarin verschillende vaardigheden een bijdrage leveren aan sociaal onderzoek. In de context van de digitalisering van het sociale onderzoek wordt ook een ander inzicht van de sociale studies van wetenschap en technologie opnieuw relevant: ons begrip van kennisvorming verandert drastisch zodra we ons niet richten op de resultaten van kennis­ vorming, maar op voortgaande processen (Latour, 1988).

Het argument dat de wetenschap aan het commercialiseren of populariseren is, ontleent zijn normatieve kracht aan een focus op uitkomsten: het houdt ons een schrikbeeld voor om ons te mobiliseren in de strijd voor een andere, meer geïnspireerde toekomst. Het idee dat het sociaal onderzoek op dit moment een proces van herverdeling ondergaat, wijst op een andere strategie: deze benadering ontleent zijn normatieve kracht juist aan het feit dat wat als digitaal sociaal onderzoek geldt nog ten dele onbeslist is en nog ingevuld moet worden. De vorm van digitaal sociaal onderzoek, en de verdeling van rollen daarbinnen, staat nog niet volledig vast, en het is onze taak om met verschillende rolverdelingen te experimenteren en uit te vinden welke inventieve vormen van onderzoek zij mogelijk maken. Tenslotte nodigt de notie van de herverdeling van het sociaal onderzoek uit tot reflectie op onze eigen rol als onderzoekers en theoretici. Het soort interventie waar we sociaal onderzoekers toe in staat achten – hun maatschappelijk bereik, zogezegd – is anders, afhankelijk van het concept waar we ons door laten leiden, verplaatsing of herverdeling. Het verplaatsingsperspectief dwingt onderzoekers in zekere zin tot een keuze: aan welke kant sta jij? Universiteit of bedrijfsleven? Publiek of Privaat?

Reflectie op de loyaliteiten van het weten, om de term van Isabelle Stengers te gebruiken, is zeker geen overbodige luxe en al helemaal niet in een context waarin aan maatschappelijk relevant onderzoek in het bijzonder waarde wordt gehecht, en onderzoek bijna automatisch dwarsverbindingen tussen sectoren aanbrengt. Maar vanuit een herverdelingsperspectief is de vraag niet alleen hoe wij onszelf als onderzoekers positioneren. Net zo belangrijk is de vraag hoe wij als onderzoekers op een relevante manier kunnen interveniëren in de schuivende verhoudingen tussen de verschillende participanten in het digitaal sociaal onderzoek, in de ruime zin van het woord. Hiervoor is het niet nodig om te kiezen tussen een goede of een slechte toekomst – een verlevendiging van het sociale onderzoek of haar voortgaande uitholling. Die vraag is in veel opzichten makkelijk te beantwoorden. De grote vraag is hoe wij, gegeven voortgaande herverdelingen van het sociale onderzoek, cruciale ingrediënten aan de gegeven situatie kunnen toevoegen, zodat de ‘mix’ van het sociale onderzoek verandert en verlevendigt.

 

Literatuur

Back, L. (2010). ‘Broken Devices and New Opportunities: Re-Imagining the Tools of Qualitative Research.’ In: NCRM Working Paper Series, 08/10.

Boomen, M. van den (2008). ‘Interfacing by Iconic Metaphors.’ In: Configurations 16 (1): 33-55.

Cussins, C. (1996). ‘Ontological choreography: Agency through objectification in infertility clinics.’ In: Social Studies of Science 26 (3): 575–61.

Dijck, J. (2012). ‘Facebook as a Tool for Producing Sociality and Connectivity.’ In: Television & New Media 13 (2): 160-176.

Dijstelbloem, H (2008). Politiek vernieuwen: op zoek naar publiek in de technologische samenleving. Amsterdam:
Van Gennep.

Gerlitz, C. and A. Helmond. ‘The like economy: social buttons and the data-intensive Web.’ In: New Media and Society. Forthcoming.

Grandclement, C. and G. Gaglio (2010). ‘Convoking the Consumer in Persion: The Focus Group Effect.’ In: Inside Marketing: Practices, Ideologies, Devices. Ed. D. Zwick and J. Cayla. Oxford and Cambridge, MA: Oxford University Press.

Hacking I. (2004). Historical Ontology. Cambridge, MA: Harvard University Press.

Hubble, N. (2006). Mass Obversation and Everyday Life: Culture, History, Theory. Basingstoke: Palgrave Macmillan.

Kelty, C. (2012). ‘Introduction to Crowds and Clouds.’ In: special issue of Limn. http://limn.it/issue/02.

Knorr-Cetina, K. (1997). ‘Sociality with Objects: Social Relations in Postsocial Knowledge Societies.’ In: Theory, Culture and Society 14 (4): 1-30.

Latour, B. (1998). ‘Thought Experiments in Social Science: from the Social Contract to Virtual Society.’ In: 1st Virtual Society? Annual Public Lecture, http://www.artefaktum.hu/it/Latour.htm

Latour, B. (1988). The Pasteurization of France. Translated by Alan Sheridan and John Law. Cambridge: Harvard University Press.

Leavitt, A. (ed.) (2009). ‘The Iranian election on Twitter: the first eighteen days.’ In: Web Ecology Project, http://www.webecologyproject.org/2009/06/iran-election-on-twitter/ (5 March 2011).

Lezaun, J. (2007). ‘A market of opinions: The political epistemology of focus groups.’ In: Sociological Review 55: 130–51.

Lury, C, (2004). Brands: the logos of the global cultural economy. New York and London: Routledge.

Madsen, A. K. (2012). ‘Web visions as controversy lenses.’ In: A. Carusi, A. Sissel Hoel and T. Webmoor, Special Issue on Computational Picturing. Interdisciplinary Science Reviews 37 (1).

Marres, N. and E. Weltevrede. ‘Scraping the Social? Issues in Real-Time Research.’ In: Journal of Cultural Economy. Forthcoming

Marres, N. (2005). No Issue, No Public: Democratic Deficits After the Displacement of Politics. Proefschrift. Universiteit van Amsterdam. http://www.narcis.nl/publication/RecordID/oai:uva.nl:165542

Niederer, S. & Van Dijck, J. (2010). ‘Wisdom of the crowd or technicity of content? Wikipedia as a sociotechnical system.’ In: New Media & Society, 12 (8): 1368-1387.

Oudshoorn, N. and T. Pinch (2003). How Users Matter: The Co-Construction of Users and Technology. Cambridge: MIT Press.

Rieder, B. & Rohle. T. (2012). ‘Digital Methods: Five Challenges.’ In: Understanding Digital Humanities, ed. D. Berry. Basingstoke: Palgrave.

Rogers R. (2009). The End of the Virtual: Digital Methods. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Savage, M. & R. Burrows (2007). ‘The Coming Crisis of Empirical Sociology.’ In: Sociology (41): 885-899.

Velden, van der L. en C. Lee (2010). Activism on Facebook: Researching Action Formats. DMI Summerschool, https://wiki.digitalmethods.net/Dmi/TrainingProgramProjectFacebook.

Vries, de G. (2007). ‘What is political in sub-politics? How Aristotle Might Help.’ In: Social Studies of Science 37 (5): 781-809.

Vries, de G. (1999). Zeppelins: over Filosofie, Technologie en Cultuur. Amsterdam: Van Gennep.

Whatmore, S.J. (2009). ‘Mapping knowledge controversies: Science, democracy and the redistribution of expertise.’ In: Progress in Human Geography 33 (5): 587.

Woolgar, S. (2002). ‘Introduction: Five Rules of Virtuality’, in: Virtual Society? Technology, Cyberbole, Reality. Oxford: Oxford University Press.

Wyatt, S, A. Scharnhorst, A. Beaulieu en P. Wouters (2012). Virtual Knowledge: Experimenting in the Humanities and the Social Sciences. Cambridge: MIT Press.

Deze tekst is een bewerkte, vertaalde en ingekorte versie van Marres, N. (2012) ‘Re-distributing methods: On intervention in digital social research, broadly conceived.’ In: L. Back and N. Puwar. Live Methods, Sociological Review Monographs. Oxford: Blackwell.

Het onderscheid tussen objectieve en subjectieve oorzaken van veranderingsprocessen, zo leert de constructivistische filosofie ons, moet tenminste ten dele als een uitkomst van die processen begrepen worden.