De rookzone

Annemiek Nelis

 

Een bijzondere plaats in de stad van vandaag is de ‘rookzone’: de plaats waar de roker mag vertoeven om het genotsmiddel, waarvan de verpakking waar­ schuwt dat consumptie een vroege dood met zich meebrengt, tot zich te nemen. Rookzones zijn vrijplaatsen waar roken nog is toegestaan. Met het ontstaan van rookzones heeft de roker een eigen, afgescheiden domein gekregen. In dit domein treft hij zijn soortgenoten: mensen die net als hij niet van de gewoonte van het roken af willen of kunnen komen.

Rookzones in de stad zijn van recente datum. Met het instellen van een rook­ verbod op de werkplek, is de roker sinds 1990 verbannen naar speciaal daarvoor ingerichte plaatsen. Verdere inperkingen van de roker volgden. Al naar gelang het perspectief werd het hoogtepunt of dieptepunt van dit beleid bereikt in 2008, toen het rookverbod voor onder andere cafés en restaurants van kracht werd. In de jaren vóór 1990 was de stad een vrijplaats voor de roker, die zijn rook op vrijwel iedere plek, zowel binnen als buiten, vrijelijk mocht uitblazen – als we de rooksalons uit vroeger eeuwen hier buiten beschouwing laten. De roker en zijn rook vielen samen met het publieke domein. Binnen de bank, de recht­ bank, de beurs, de snackbar en de haven bepaalde de roker zelf wanneer het tijd was voor een rookpauze. Vanaf 1990 wordt de roker hierin steeds meer beperkt: niet alleen tijd, ook de gelegenheid van een rookzone bepaalde of het werk dan wel de stadswandeling onderbroken kan worden voor een pijp, sigaar of sigaret.

Dit artikel gaat over het ontstaan van rookzones in de stad. Zoals rook zelf kringelt dit essay langs diverse onderwerpen, tijdsmomenten en steden, te beginnen in New York bij de verbeelding en de beleving van roken.

De rook van New York

De film Smoke van Wayne Waune en Paul Auster speelt zich af in en om een New Yorkse sigarenzaak. Iedere dag exact om acht uur ’s morgens, maakt Auggie, eigenaar van de sigarenzaak, een foto van het kruispunt waaraan zijn sigarenwinkel is gelegen. Auggie fotografeert het straatbeeld voor de deur van zijn winkel, dat hij als zijn hoekje van de wereld beschouwt:

‘It’s my corner after all. It’s just one little part of the world, but things happen there, too, just like everywhere else. It’s a record of my little spot’.

’s Avonds, als de winkel gesloten is, plakt Auggie de foto’s in dikke foto­ boeken. Boeken waarin hij een strikte ordening aanhoudt: ieder jaar heeft een eigen boek, iedere week een eigen pagina en iedere foto wordt voorzien van een datum en – altijd dezelfde – tijd. Op een avond laat hij zijn fotoboeken zien aan één van zijn vaste klanten, de romanschrijver Paul, gespeeld door William Hurt. Als Paul door de fotoboeken bladert merkt hij op dat alle foto’s hetzelfde zijn. Paul vind de foto’s dan ook weinig zeggend en bladert snel door de boeken heen. Dit tot enig ongenoegen van Auggie. Hij legt Paul uit dat alle foto’s weliswaar hetzelfde lijken, maar dat ze tegelijkertijd, stuk voor stuk allemaal verschillen. Wanneer Paul op een van de foto’s zijn overleden vrouw Ellen ziet, begrijpt hij wat Auggie bedoelt, en bestudeert hij de foto’s nauwkeuriger. Ellen blijkt vaker op de foto’s te staan. Altijd gehaast en op hetzelfde tijdstip loopt zij langs de sigarenzaak, waarschijnlijk op weg naar haar werk. Het kruispunt voor de sigarenzaak is voor Auggie veel meer dan het decor waartegen zijn leven zich afspeelt. Het is de plaats, de topos, die zijn wereld maakt. Zoals de foto’s die iedere dag op hetzelfde moment en vanuit dezelfde hoek zijn genomen een zekere willekeur hebben en onverwacht mensen en elementen samenbrengen, raken ook in de sigarenzaak van Auggie levens­ verhalen onverwacht met elkaar verknoopt. Zo krijgt Auggie op een dag van een ex-­vriendin te horen dat hij een volwassen dochter heeft die zelfs in de buurt woont. Paul, de romanschrijver, worstelt met een writers­block sinds de dood van zijn vrouw Ellen. En de jonge Thomas maakt een identiteits­ crisis door en is op zoek naar zijn biologische vader. In de sigarenwinkel komen de levens van deze personages samen. De onaangekondigde wending van het lot is in de film Smoke, evenals in veel romans van Paul Auster, een belangrijk thema.

Smoke speelt zich af in New York. Een wereldstad die zo vaak als filmset is gebruikt dat ook de kijker die nog nooit een voet in New York zette, zich er bijna thuis voelt. In Smoke zijn het de bekende gele taxi’s, de hooggelegen appartementen en de kenmerkende aanduiding van straten en gebouwen die de stad typeren. Dat de film een aantal jaren geleden is opgenomen, in 1995, is af te leiden aan de kleding van de personages, de afwezigheid van mobiele telefoons en iPads en het feit dat vrijwel alle karakters doorlopend roken, zowel binnen als buiten. Films waarin zo stevig wordt gerookt dateren doorgaans niet uit de 21e eeuw. Het rookgedrag en de tolerantie jegens ‘de roker’ is in de afgelopen tien jaar drastisch veranderd. Dit geldt zeker voor de Verenigde Staten. In New York geldt al jaren een streng anti­rookbeleid. Tegenwoordig rookt nog slechts 14% van de volwassen inwoners van de stad. Dit is een daling van 35% in bijna tien jaar tijd.[1] Zelfs het roken in parken, op openbare stranden en openbare plaatsen, is in New York verboden.[2]

In Nederland is het rookbeleid minder strikt dan in New York. Buiten is het op openbare plaatsen, op een enkele uitzondering na, nog altijd mogelijk om te roken. De openlucht kent vele rookzones zouden we kunnen zeggen. Dat neemt niet weg dat ook in Nederland het rookbeleid, evenals in de VS, steeds meer beperkingen oplegt aan de roker en dat steeds vaker sprake is van specifiek aangewezen rookzones.

Roken had ooit het imago een sociale activiteit te zijn. Roken bood ontspanning, was een belangrijk middel in het sociale contact en hielp tegelijk om de zenuwen te bedwingen. Op verjaardagsfeestjes tot in de jaren zeventig werden de asbakken en de sigaretten verzorgd door de gastheer of gastvrouw, in een glaasje mét en in een glaasje zónder filter. Dat is geschiedenis. De huidige roker wordt niet alleen geacht om voor zijn eigen rookwaar te zorgen, het nuttigen van de ‘teerstokjes’ gebeurt daarnaast liefst uit het zicht en zeker buiten de geurlijn van andere gasten, dus buiten, op het balkon, op de stoep of in de schuur. Deze verandering in het sociale verkeer gaat gepaard met een belangrijke verschuiving in zowel de beleving van het roken als de weten­ schappelijke kennis over de gezondheidsrisico’s van roken. Roken wordt niet langer omschreven als een sociale activiteit die goed is voor de zenuwen maar wordt in het huidige discours getypeerd als een ziekmakende verslaving die actief dient te worden behandeld en te worden genezen dan wel voorkomen. Van een sociale activiteit is roken verworden tot een individuele beleving én een medisch probleem.

Gevaar voor de gezondheid

Wanneer ontstond de omslag in het weten en werd de gedachte dat roken niet zozeer goed was voor de zenuwen maar juist een gevaar voor de gezondheid, een feit? Hoewel historici de ontwikkeling van wetenschap en technologie regelmatig beschrijven in termen van ‘doorbraakmomenten’, die ene studie of dat ene moment dat leidt tot een omslag in wat geldt als het dominan­te vertoog, is het vaak onmogelijk om deze omslag tot één gebeurtenis of moment terug te brengen.[3] Voor het roken is dit niet anders.[4] Informatie en kennis over risico’s werd gaandeweg verzameld maar leidde niet direct tot het accepteren van deze feitelijke kennis, laat staan tot optreden vanuit de centrale overheid.

De eerste studies over de relatie tussen roken en longkanker verschenen kort na de Tweede Wereldoorlog. Het aantal longkankerpatiënten nam in die periode sterk toe. Aanvankelijk werd verondersteld dat dit te wijten was aan zaken als het asfalteren van wegen, een toename van uitlaatgassen en het gebruik van röntgenapparatuur. Vergelijkend onderzoek tussen longkanker­ patiënten en een controlegroep gezonde individuen liet echter zien dat in de groep longkankerpatiënten significant meer rokers voorkwamen dan in de groep gezonde individuen. Dit onderzoek leidde tot vervolgonderzoeken, waaronder een inmiddels beroemde Engelse studie waar meer dan 10.000 artsen aan deelnamen, de zogeheten Dokters Studie. De resultaten van deze studie werden in 1964 gepubliceerd. Onder rokers bleek longkanker 20 keer vaker voor te komen dan onder niet­-rokers.

In Nederland maakte onder meer de Groningse arts Dr. L. Meinsma zich druk over de risico’s van het roken. Meinsma was gepromoveerd op een proefschrift over de gezondheidsrisico’s van roken en gaf in 1963 leiding aan de eerste voorlichtingscampagne over roken. In een publicatie van stivoro[5] wordt Meinsma omschreven als een fanatiek pleitbezorger van het tabaks­ ontmoedigingsbeleid. Aanvankelijk kreeg hij weinig steun in zijn missie om het roken tegen te gaan:

‘Op niet mis te verstane wijze gaf hij voorlichting over de schadelijke effecten van roken en was met grote regelmaat te zien, te horen en te lezen in de media en het nieuwe medium van de televisie. Vanaf 1963 werd hij hierin gefaciliteerd met een kleine subsidie door het ministerie van Volksgezondheid.[6] Hij stond er aanvankelijk nagenoeg alleen voor. Zijn oproep in 1965 aan de medische professie om de strijd tegen het roken aan te gaan, werd aanvankelijk genegeerd. Zelf gaf hij daarvoor als oorzaak dat ‘de hele medische wereld rookte’.[7]

In diverse landen verschenen in de jaren zestig adviesrapporten over de ge­ zondheidsrisico’s van roken, in het bijzonder van sigaretten. In 1962 publiceerde het Engelse Royal College of Physicians het rapport ‘Smoking and Health’ waarin ondubbelzinnig werd gesteld dat roken een gevaar was voor de volksgezondheid. De auteurs van het rapport vroegen aandacht voor zo­ wel de ziekmakende effecten van roken als ook voor mogelijkheden om het rokenterugtedringen.[8] Positieve kanten van roken waren volgens het rapport vooral psychologisch. Er was geen reden om aan te nemen dat roken hielp om de zenuwen te bedwingen. De schadelijke gevolgen van het sigarettenroken, aldus de Royal College of Physicians, moesten door overheids­ ingrijpen worden aangepakt. ‘(…) it is necessary for the health of the people in Britain that any measures that are practicable and likely to produce beneficial change in smoking habits shall be taken promptly’.[9] Het roken van sigaretten kon op diverse wijze en met een praktisch pakket van maatregelen, bestreden worden: door het gebruik van filters te bevorderen, door rokers aan te moedigen om over te stappen van sigaretten op pijp of sigaar, door voor­ lichting te geven aan het publiek, in het bijzonder aan jongeren, door een effectieve beperking van de verkoop van tabak, door accijnsverhoging en door een algemene beperking van het roken in openbare gebouwen.

In 1964 volgde na het Engelse Rapport een Amerikaans Rapport met de vergelijkbare titel: Smoking and Health; Report of the Advisory Committee to the Surgeon General. Ook in dit rapport werd geconcludeerd dat ‘het roken van sigaretten een gezondheidsrisico van genoegzame betekenis is in de Verenigde Staten om een geëigende bestrijdingsactie te rechtvaardigen.’ [10] Rokers, aldus het rapport, hadden 70% meer kans om vroegtijdig te over­ lijden ten opzichte van niet­rokers. Deze boodschap kwam hard aan bij het publiek. Slechts weinig mensen waren bekend met dit feit.[0]

Eerste maatregelen: bescherming van de jeugd en passieve rokers

Kennis over de risico’s van het roken vertaalde zich in Nederland alles­ behalve eenvoudig in een overtuigend anti-rookbeleid van de overheid. Eind jaren vijftig bijvoorbeeld, kondigde de Nederlandse Gezondheidsraad al aan dat zij zich zorgen maakte over de schadelijke effecten van roken. De voorzitter van de Gezondheidsraad zei in een persconferentie ‘dat er reden is, de minister opmerkzaam te maken op het steeds meer voorkomen van longkanker en het aannemelijk verband, dat er bestaat tussen deze ziekte en het roken.’ [12] De Gezondheidsraad raadde aan om vooral de jeugd te adviseren niet aan roken te beginnen en, als zij reeds rookten, matig te roken. De oproep van de Gezondheidsraad vond binnen overheidskringen weinig gehoor. Pas in 1971 besloot de staatssecretaris, op aandringen van professor Meinsma en vier verenigingen van medisch specialisten, om een speciale commissie van de Gezondheidsraad te vormen om hem te informeren over te nemen maatregelen. Het rapport van de deze Gezondheidsraadcommissie verscheen in 1975. In het rapport werden onder andere de volgende maatregelen besproken[13]:

  • rookverboden in de gezondheidszorg, op gemeenschappelijke werkplekken en in openbare ruimten;
  • een reclameverbod voor alle rookwaar;
  • verplichte etikettering van advertenties voor sigaretten zolang er geen reclameverbod zou zijn.

Het zou nog enige jaren duren voordat de overheid concrete maatregelen nam. In 1982 werden de in Nederland verkochte pakjes tabak voor het eerst voorzien van een door de overheid verplichte waarschuwing. Andere maat­ regelen, zoals het reclameverbod en de rookvrije werkplek, zouden nog 25 jaar op zich laten wachten.

In het begin richtte het anti­rookbeleid van de overheid zich voornamelijk op de jeugd. De overheid wilde voorkomen dat de jeugd zou gaan roken. In aansluiting op de oproep van de voorzitter van de Gezondheidsraad in de jaren zestig was preventie van roken het eerste aandachtspunt van het anti-rookbeleid van de overheid.

In tweede instantie werd het meeroken een thema waar de overheid haar pijlen op richtte. De meeroker werd onderwerp van campagnes en beleid. De meeroker zou ongevraagd een onacceptabel gezondheidsrisico lopen door in de buurt van rokers te (moeten) verkeren. ‘Passief roken’ werd gezien als een onacceptabele sociale praktijk.[14]

Vanaf 1990 werd uiteindelijk ook de roker zélf aangesproken en actief aangespoord om zijn of haar gedrag te veranderen en te stoppen met roken. Dit gebeurde enerzijds door middel van voorlichtingscampagnes en informatie­folders, anderzijds werden ook andere maatregelen geïnitieerd die juist de fysieke en sociale omgeving van de roker betroffen. Het combineren van voorlichting met andere, meer sociale en fysieke maatregelen, wordt in beleidstermen aangeduid als ‘Integraal Gezondheidsbeleid’. Dit houdt gedragsbeïnvloeding in, plus maatregelen gericht op de fysieke en sociale omgeving.[15] Het lot van de roker is het laatste decennium meer en meer door dit beleid bepaald. Vandaag de dag wordt roken ontmoedigd door hoge accijns op tabak, gezondheidswaarschuwingen op sigarettenpakjes, mediacampagnes gericht op gezondheidsrisico’s en, in het geval van de jeugd, aanpakken van het stoere imago dat roken heeft. Tot slot wordt roken ook fysiek ontmoedigd door het rookverbod in publieke ruimtes.

De kunst van gedragsverandering

Het anti-rookbeleid van de overheid is niet los te zien van het denken over gezondheidsbevordering en preventie. Volgens een definitie van de WHO is gezondheidsbevordering ‘het proces waardoor mensen of groepen van mensen in staat gesteld worden om meer controle te verwerven over de determinanten van hungezondheid,enzohungezondheidteverbeteren’.[16] Vanaf het begin van de 20e eeuw had deze preventiepraktijk een sterk moralistisch karakter: gezond gedrag werd steevast in verband gebracht met een fatsoenlijke levensstijl. Belangrijke onderwerpen in de jaren vijftig bijvoorbeeld waren alcoholgebruik, hygiëne en seksualiteit. Preventieve gezondheidszorg maakte deel uit van een beschavingsoffensief om te zorgen voor culturele en economische ver­ heffing van de lagere sociaal-­economische klassen.[17] Vanaf de jaren zeventig verwetenschappelijkte de gezondheidspreventie en gingen feiten en evidence based data een belangrijke rol spelen bij het agenderen van gezondheidsproblemen. Klinisch vergelijkende studies tussen longkankerpatiënten en rokers bijvoorbeeld, zoals beschreven in de vorige paragraaf, leverden onomstotelijk bewijs dat roken een negatief effect had op de volksgezondheid. Deze feiten maakte van roken een belangrijk maatschappelijk probleem dat aan­ dacht behoefde en waarvoor een actief preventief beleid noodzakelijk was.

Terwijl het onderwerp van de preventiepraktijk verschuift van een door de moraal gestuurde agenda naar een wetenschappelijk gestuurde agenda, verandert ook de wijze waarop gedragsinterventies vorm krijgen. Ook de aanpak om gedragsveranderingen te bewerkstelligen, wordt meer en meer op wetenschappelijke leest geschoeid. Het menselijk gedrag en de mogelijkheid om dit gedrag te veranderen wordt steeds sterker verklaard vanuit een ‘netjes geordend rijtje van gedragsdeterminanten’.[18] Aan de hand van deze gedragsdeterminanten wordt het menselijk gedrag gemodelleerd en voorspeld. Gezondheidsvoorlichting en opvoeding heeft dan ook een sterk rationele inslag. Mensen worden aangesproken op gedrag en aangespoord om dit gedrag, gemotiveerd door de nadelige effecten ervan, te veranderen.

Rationele benaderingen van gedragsverandering zijn aan het eind van de vorige eeuw sterk dominant in de gezondheidsvoorlichting. Een tegengeluid bestaat er ook, onder andere van filosofen en sociologen die er vanuit gaan dat menselijk gedrag minder rationeel en samenhangend is en veel meer context en relatie afhankelijk dan de modellen voor gezondheidsvoorlichting suggereren. In het begin krijgt deze visie weinig steun in de wereld van de preventieve gezondheidszorg. Echter, wie het huidige anti­-rookbeleid bekijkt, ziet daarin meer dan alleen de poging om op rationele gronden gedrag te veranderen. Het beleid combineert cognitieve aspecten (reclame, voorlichting, informatie op pakjes), het veranderen van de fysieke omgeving (rookverbod in openbare gebouwen en ruimtes) en sociaal gedrag (uitsluiten van de roker). Het succes van het huidige integrale gezondheidsbeleid ondersteunt de stelling dat gedrag meer is dan een rijtje gedragsdeterminanten. Dit gedrag wordt mede bepaald door concrete barrières.

De Tabakswet

In 1990 komt de Tabakswet tot stand. De Tabakswet wordt in de jaren daarna verder aangescherpt. Deze aanscherpingen zorgen steeds opnieuw voor een verdere inperking van het aantal plaatsen waar de roker vrij zijn of haar gang kan gaan. Het resultaat is het ontstaan van rookzones, speciaal daarvoor aan­ gewezen plaatsen waar de roker welkom is.

De Tabakswet van 1990 bepaalde ten aanzien van openbare ruimtes dat werknemers in de publieke sector recht hebben op een rookvrije werkplek en dat ook het personenvervoer rookvrij moet zijn.[19] Voor overheidsgebouwen en instellingen geldt dat niet gerookt mag worden op plekken die bedoeld zijn voor gemeenschappelijk gebruik of die voor het publiek toegankelijk zijn. Het rookverbod in openbare ruimtes is met het aannemen van de Tabakswet een feit. Dit betekent echter niet dat er eerder helemaal geen maatregelen werden genomen om het roken in publieke ruimtes te beperken. De NS bijvoorbeeld besloot in 1964 om het roken in stationsrestauraties te verbieden.[20] Een aantal jaren later, in 1978 , werd het verboden om in leslokalen op scholen te roken.[21]

Een belangrijke wijziging van de Tabakswet volgt in 2002. Dan gaat het parlement akkoord met een wetswijziging waarin wordt bepaald dat een rookvrije werkplek niet alleen voor de publieke sector maar voor álle organisaties geldt. De wet is vanaf 1 januari 2002 van kracht maar werkgevers krijgen tot 1 januari 2004 de tijd om alle werkplekken rookvrij te maken. Verzorgings­ en verpleeghuizen krijgen een jaar uitstel en moeten op 1 januari 2005 aan de wet voldoen. De horeca, de kunstsector en de cultuursector worden vooralsnog buiten schot gelaten. Vanaf 2008 geldt in Nederland uiteindelijk een rookverbod in cafés en restaurants, sportkantines, discotheken, coffeeshops, ijssalons, poppodia, theaters, evenementenhallen, congrescentra, luchthavens en, (feest)tenten met horecabestemming en overdekte winkelcentra.[22]

Met de invoering van een algeheel rookverbod is onze omgeving, de publieke ruimte en daarmee ook de stad, veranderd. De roker is niet langer overal in de stad welkom om te roken. Roken is geen activiteit die, achteloos, overal kan worden uitgevoerd. De roker heeft een eigen plaats – een eigen topos – gekregen waar hij met zijn rookwaar welkom is.

Rookzones kennen diverse vormen en verschijningen, zowel binnen als buiten. Een rookruimte binnen is volgens de wet ‘een afgesloten, voor het roken van tabaksproducten aangewezen en aangeduide ruimte waarbij geen werkzaamheden worden verricht’.[23] Binnen wordt rokers de mogelijkheid geboden om in een afgesloten ruimte te roken waarbij de rook via een afzuig­ systeem wordt weggezogen. De buitenvariant houdt in dat de betrokkenen buiten op een speciaal daartoe aangewezen plaats mag roken. Deze plaats is vaak overdekt en voorzien van een afzuigkap. Daarnaast is het niet ongebruikelijk dat werknemers bijvoorbeeld in de fietsenstalling, de kelder of op een leegstaande etage beschikken over een paar stoelen om te roken. Ook veel horeca gelegenheden hebben hun terrassen aangepast voor rokers. Op deze terrassen treft de roker naast de bekende asbak vaak ook een dekentje aan en, als het meezit, een kacheltje tegen de kou. De NS heeft op de perrons een geheel eigen variant ontwikkeld: rokers worden geacht om op aangewezen ‘rookplaatsen’ rondom een rookzuil of een speciaal daarvoor bestemd rooster te verzamelen, waar sigaretten en as in opgevangen worden. Binnen een straal van drie meter rondom de rookzuil of het rookrooster mag een sigaret, pijp of sigaar worden opgestoken.

Medische reservaten

De roker kan zich in de stad niet meer overal overgeven aan het genot van een pijp, sigaar of sigaret. Het roken heeft zich allereerst verplaatst van binnen naar buiten. De rechtbank, de kerk, het treinstation, het restaurant, het museum en het gemeentehuis zijn intussen geen vrijplaats meer voor de roker. Deze moet, om te kunnen roken, naar buiten, niet zelden de kou in, of genoegen nemen met een dampige abri, waar doorgaans weinig anderen behalve mederokers met hem of haar willen vertoeven. Buiten of in een abri roken heeft allereerst een praktisch doel: het is de plaats waar het ‘verderfelijke resultaat’ van het rookgenot snel en effectief wordt ‘afgezogen’.

De verplaatsing van het roken en daarmee ook van de roker, van binnen naar buiten, blijft in de stad niet onopgemerkt. De roker is met de invoering van het rookverbod immers niet zozeer geweerd uit de publieke ruimte en dus uit de stad maar heeft een eigen, zichtbare plaats gekregen: rookzones. Hij of zij kan niet meer opgaan in de massa (van rokers en niet­rokers) maar moet zich vervoegen in speciaal voor hem gecreëerde ruimtes en gelegen­ heden waarbij de wetgever bepaalt aan welke eisen deze ruimtes dienen te voldoen.[24] De roker is daarmee niet, zoals door hemzelf weleens wordt beweerd, een nieuwe paria die uitgesloten is van de publieke ruimte, maar een probleemgeval dat hulp en aandacht behoeft die juist zichtbaar wordt gemaakt in de publieke ruimte.

De roker wordt in de eerste plaats gescheiden van anderen om deze anderen om hem te beschermen tegen zijn verderfelijke nicotinedamp. Maar daarnaast dient de roker ook tegen zichzelf in bescherming te worden genomen. Het zichtbaar neerzetten van de roker op een speciaal daarvoor bestemde ruimte, helpt hierbij. De roker wordt neergezet als slachtoffer van een verslaving, als kwetsbare hulpbehoevende. Daarmee is de roker een medisch geval geworden. Zoals ook psychiatrische patiënten halverwege het midden van de vorige eeuw bij elkaar werden gestopt in speciale inrichtingen en tehuizen, zo is ook voor de roker een speciale plek ingericht in onze stad. Rookzones zijn ‘medische reservaten’ waar de roker ongezond gedrag mag vertonen, af­ gezonderd maar zichtbaar voor de rest van de gemeenschap van normale en gezonde individuen.[25]

De stad anno 2013 biedt een schril contrast met het New York zoals geportretteerd in de film Smoke, waarin roken gepaard gaat met verhalen vertellen, bedachtzaamheid en vriendschap. Roken is voor Auggi en Paul een gedeelde liefde voor sigaren en sigaretten. Ze treffen elkaar op sociale plaatsen waar de ambiance vrolijkheid en gezelligheid uitstraalt, zoals cafés, parken en restaurants. De rook kringelt tussen hun verhalen door en geeft de beide mannen een houding om met elkaar te praten: rokend en gebarend. Smoke is definitief een tijdsbeeld geworden: de film is van voor de tijd dat de vrolijke roker in de rookzones van de stad werd opgesloten.

De Morgen, 16 september 2011. ‘Aantal Rokers drastisch gedaald dankzij streng verbod.’

In de staat New York is een wet van kracht die roken verbiedt in winkels, theaters, ziekenhuizen, musea, banken en bijna alle andere publieke ruimten.

Brian Wynne (1989). ‘Establishing the rules of laws: constructing expert authority’, in: Roger Smith and Brian Wynne (eds), Expert Evidence: interpreting Science in the Law. Londen & New York: Routledge, p. 23-55.

Malcolm Ashmore (1996). ‘Ending Up On the Wrong Side: Must the Two Forms of Radicalism Always Be at War?’, in: Social Studies of Science, Vol. 26, No. 2 (May 1996), p. 305-22.

Stichting Volksgezondheid en Roken

In 1963 verstrekt de overheid de eerste subsidies voor anti-rookbeleid.

STIVORO (2010). Van Onderop en Van Bovenaf, De toekomst van tabaksontmoediging in Nederland 2011-2020. p. 8.

Royal College of Physicians (1962). Smoking and Health. Smoking in relation to cancer of the lung and other diseases. London: Pitman Medical Publishing Co. LTD.

Ibid. p. 6.

Smoking and Health: Report of the Advisory Committee to the Surgeon General. (1964).

Het rapport werd bewust op een zaterdag gepubliceerd. De voorzitter wilde hiermee bereiken dat het rapport een minimaal effect had op de beurskoersen en een maximaal effect op het publiek. De publicatie van het rapport domineerde die bewuste zaterdag vrijwel álle media.

De Waarheid, 9 maart 1957.

Ook bevatte het rapport een maatregel om te komen tot een beperking van het aantal verkooppunten en het verwijderen van alle sigarettenautomaten.

Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat verontwaardiging over het lot van de meeroker niet alleen ontstaat door het presenteren van wetenschappelijke feiten over roken maar dat ook de schrijvende pers hierin een belangrijke rol heeft. Door van roken een moreel issue te maken wordt bijgedragen aan de creatie van meeroken als sociaal probleem: ‘Rather than (or sometimes, in addition to) explicating science, newspaper coverage conveyed a moral narrative highlighting tensions between American cultural values of individual liberty and protection of the public health’. Ruth E. Malone, Elizabeth Boyd and Lisa A. Bero: ‘Science in the News: Journalists’ Constructions of Passive Smoking as a Social Problem’, in: Social Studies of Science. Oktober 2001, 2000 30: p. 713-735.

I. Storm, F. van Zoest en L. den Broeder (2007). Integraal gezondheidsbeleid: theorie en toepassing. Bilthoven: RIVM.

WHO (2005). The Bangkok Charter for Health Promotion in a Globalized World. The 6th Global Conference on Health Promotion. Bangkok, 11 augustus 2005.

Klasien Horstman & Rob Houtepen (2005). Worstelen met gezond leven. Ethiek in de preventie van Hart- en Vaatziekten. Amsterdam: Het Spinhuis, p. 18.

Daarnaast bepaalt de wet van 1990 dat tabaksreclame en sponsoring verboden is, dat verkoop van tabaksartikelen aan jongeren verboden is en dat verkoop van tabaksartikelen op bepaalde locaties verboden is.

De Waarheid, 1 augustus 1964.

De Waarheid, 22 maart 1978.

Ibid, p.19.

www.rijksoverheid.nl.

http://www.vwa.nl/onderwerpen/werkwijze-alc-tabak/dossier/rookbeleid (september 2012)

De Nederlandse Voedsel- en Waren- autoriteit (NVWA) bijvoorbeeld houdt toezicht op zowel het handhaven van het rookverbod als op de veiligheid en gezondheid van werknemers die roken.

Deze tendens is nog steeds merkbaar: In het rapport Passive Smoking and Children hebben leden van de Koninklijke Werkgroep Tabak voorgesteld om roken in alle auto’s en parken te verbieden, wegens de vermeende gevaren van meeroken. Op basis van hun bevindingen concludeerden twintig tandartsen, chirurgen, radiologen, kinder- artsen, medicijnmannen en andere specialisten in een open brief aan The Times dat het rook- verbod op werkplekken niet genoeg is om de volksgezondheid van onze kinderen te waarborgen. Daarom zou uitbreiding nodig zijn. Zie: Parick van IJzendoorn, ‘Charge me with Smoking, de diepere betekenis van het roken’, in: De Groene Amsterdammer, 11 juli 2008.