De plattegrond

Parijs, onzichtbare stad: het plasma

Bruno Latour

 

Alles in de stad blijft onzichtbaar, alles, en nog het meest van alles, de stad als geheel.

Je zou kunnen zeggen dat we nu satellietkaarten hebben die ons in staat stel­len om gemakkelijk in te zoomen op elk niveau, dat we in een paar muis­ klikken kunnen schakelen tussen het complete Ile­-de­-France en het dak van ons gebouw. Door Google Earth of de website van het National Geographic Institute kunnen we eindelijk echt van een panopticum spreken, aangezien we ‘de hele stad omvatten’ en tegelijkertijd in haar allerkleinste details kun­ nen duiken.

Nee wacht, we ‘omvatten’ eigenlijk helemaal niets, we zien niets, we ‘duiken nergens in’! Ik geef toe dat de illusie sterk is; het is zo’n leuke achtbaanrit, op en neer van het geheel naar de delen tot je er misselijk van wordt, maar als je denkt dat je alleswetend bent, dan houd je jezelf voor de gek. Alsof je denkt dat het spelen van een computerspel hetzelfde is als een echte voetbal­ wedstrijd spelen.

Bovendien, satellietfoto’s verouderen; ze zijn niet in ‘realtime’ te zien. Wat je ziet is de stad, jouw buurt, jouw flatgebouw, zoals ze een paar maanden of een paar jaar geleden waren, en in ieder geval in een ander seizoen, met ander licht en vanaf het meest onwaarschijnlijke gezichtspunt – en het minst informatief. Waarom zou jij het dak van je gebouw willen zien? Je bent toch geen antenne­-installateur of schoorsteenveger? De beelden worden vernieuwd in intervallen die veel te lang zijn om jou iets anders te bieden dan de illusie dat wat je ziet ‘live’ is – om nog maar te zwijgen van de pixels die ineens in grote donkere vierkanten veranderen zodra je je buiten de gangbare paden begeeft. Hoe zou het beeld van Parijs zijn als het zo snel vernieuwde dat je jezelf in ‘realtime’ zou bevinden, en vooral, in real space?

Om het beeld van een ruimte te vernieuwen en het realistischer te maken hebben we niet een kaart nodig, ongeacht het aantal pixels, maar oligopticums. Met dit neologisme bedoel ik smalle vensters waardoor we, via een groot aantal nauwe kanalen, ons kunnen verbinden met slechts bepaalde aspecten van wezens (zowel mensen als niet­mensen) die samen de stad vor­men. Een ambtenaar bij een politiebureau bekijkt de video’s van de camera’s die staan bij de belangrijkste kruispunten in Parijs. Wat ziet hij? Een heleboel, van heel dicht bij; vandaar het woord ‘oligo­-ptic’. Maar de camera’s filmen al­leen bepaalde aspecten van wat er gebeurt op een kruispunt en alleen datgene dat ertoe dient om de collega’s ter plaatse te waarschuwen – als ze in staat zijn om deze collega’s te bereiken via de radio en als deze collega’s willen luisteren. Nog een voorbeeld: je opent de Gouden Gids van Parijs, op zoek naar een loodgieter, en je vindt er een. Maar je hebt bijna niks gezien, behalve een paar pagina’s en advertenties, ook al heb je ‘alle’ ambachtslieden en ambachten van Parijs in je handen. De kaart werkt precies zo als de Gouden Gids: het geeft simpelweg lijsten van plekken, aan de hand van lengte­ en breedtegraden, terwijl de Gouden Gids het in alfabetische volgorde doet, met diensten en namen. Niemand zou de dikke Gouden Gids aanzien voor Parijs, dus waarom beschouwen we de kaart van Parijs wel alsof het het gebied zelf is?

De illusie van de zoom is zo misleidend door de indruk die hij geeft van continuïteit. Omdat computers het aantal pixels zo makkelijk kunnen aanpassen aan alle mogelijke schalen en er data aan verbinden (uiteindelijk zijn ze nooit meer dan nullen en enen, bewaard als elektrisch potentiaal op bladen van siliconen), stellen ze ons in staat te geloven dat er tussen al deze gezichtspunten een overgang bestaat, zonder continuïteitsproblemen. En toch is er geen ongecompliceerde relatie, geen brug, tussen wat de politieofficier ziet op de monitor op het Parijse bureau en wat jij ziet op de bladzijden van de Gouden Gids wanneer je wijst naar de naam van je favoriete loodgieter. We moeten vermijden dat we deze twee oligopticums linken in dezelfde ruimte, alsof ze twee perspectieven zouden zijn op een en hetzelfde geheel. Ze zijn niet aaneengesloten. Ze zijn niet onderling vergelijkbaar – zelfs als Google, handig gebruikmakend van de nieuwe eigenschap van deze gegevens die nu in digitale documenten kan worden geordend, het voor elkaar krijgt om het adres van jouw loodgieter te plaatsen op het hoopje pixels dat de locatie van zijn bedrijf markeert vanuit de lucht gezien. Ja, het is waar, digitalisering geeft ons de mogelijkheid om wat bruggen te bouwen tussen oligopticums die tot nu toe nog los stonden van elkaar, maar dat maakt het nog geen panopticum. Dat je de naam van jouw loodgieter en de foto van zijn straat op het scherm ziet, geeft jou nog geen Goddelijk Blikveld. Je hebt alleen maar even wat aandacht en geld gegeven voor de uitbreiding van een nieuw netwerk, dat van het bedrijf Google, dat de loodgieter keihard laat betalen voor jouw kleine muis­ klikjes. Het meest complete panopticum, de meest geïntegreerde software, is nooit meer dan een peepshow.

Je zou kunnen zeggen dat het absurd is om ‘reële ruimte’ te zoeken op een kaart, een scherm of in een Gouden Gids, en dat Parijs alleen maar gezien kan worden via de enige weg die realistisch is en ervaren kan worden van­ uit de eerste hand: slenteren, wandelen en ronddwalen. Niemand behalve de voetganger, die in de etalages kijkt, koffie drinkt op een terrasje, rondneust op een vlooienmarkt, flyers uitdeelt bij de ingang van de metro, of praatjes aanknoopt met meisjes en jongens op de grote boulevards, begrijpt de ruimte van de Stad van het Licht écht. Dus, als het er om gaat is alleen de subjec­tieve, persoonlijke, individuele blik objectief. Vanuit dat perspectief, kan het gezichtspunt van kaarten, controlekamers, telefoonlijsten niet meer dan een abstractie bieden van ruimte en het leven in de stad. Er zijn talloze schrijvers, sociologen, psychologen en zelfs stedenbouwkundigen die volhouden dat de stad alleen begrepen kan worden in concreto door een individu dat zich rond beweegt in het kader dat de stad biedt.

Toch is er niets abstracter dan dit perspectief, niets onrealistischer – behalve dan het denkbeeldige zoomen, zonder schokken, van het Europese continent naar de Place Beaubourg in Parijs, constant van schaal wisselend. Uiteindelijk kan een stad niet het kader zijn waarbinnen een individu zich beweegt, simpelweg omdat dit kader zelf uit niets meer bestaat dan sporen die zijn achtergelaten door andere individuen die zich daar hebben rondbewogen of die daar nog steeds zijn, op die plaats. Als we de voorkeur geven aan het ge­zichtspunt van de voetganger, de persoon die slentert, ronddwaalt, kunnen we niet begrijpen wat er zo speciaal is aan het leven in de stad; het snijdt ons af van die kanalen die ons juist in staat stellen om níet het kader te onder­ scheiden van de persoon die zich binnen dat kader beweegt. Een ruimte kan pas echt worden als we deze kanalen kunnen volgen.

Je zou kunnen zeggen dat een toerist, bijvoorbeeld, alleen maar op doorreis is door Parijs, en dat dit duidelijk de scheiding laat zien tussen het individu dat op bezoek is en het kader dat bezocht wordt: hij of zij reist erdoorheen, Parijs blijft. De slenteraar wordt tegen een achtergrond geplaatst. En toch is dit ook slechts een oppervlakkig perspectief – net zo oppervlakkig als de zoom. In de eerste plaats omdat toeristen zich meestal in groepen bewegen en daardoor slechts een klein deel bestrijken van de veel omvattender toeristische infra­ structuur – van de rondvaartboten, het VVV van Parijs, de kantoren van ge­certificeerde vertalers, tot en met de chauffeurs van bussen en de problemen die zij hebben met het parkeren van hun ijzeren beesten. Bovendien, vergeet niet hoeveel infrastructuur er nodig is om in staat te zijn rond te wandelen in Parijs. In die zin hebben we allemaal ‘beperkte mobiliteit’.

Deze toeristische infrastructuur heeft op zo veel verschillende manieren de stad vormgegeven dat de bezoeker zich niet langer buiten een vast kader bevindt waarop hij of zij geen invloed uitoefent. ‘Kader’ en ‘bezoeker’: twee per­fect omkeerbare manieren van spreken. Per saldo is de toerist misschien niet meer waard dan een paar euro, maar zonder deze infrastructuur zouden er helemaal geen toeristen zijn en was Parijs slaperig en provinciaal, bevond het zich ‘buiten het toeristische circuit’. En dan hebben we nog niet alle renovaties van gebouwen meegerekend die geen ander doel hadden dan de voorbijganger een plezier te doen, de campagnes (altijd zonder resultaat) om te proberen de taxichauffeurs ‘vriendelijk tegen buitenlandse bezoekers’ te laten zijn, en de ontelbare clichés in films die alle plaatjes van deze toeristen, van de Place du Tertre of de Notre­-Dame, net zo onvermijdelijk als toegankelijk maken.

Het is duidelijk dat degene die claimt recht te doen aan de subjectieve en indi­viduele gezichtspunten van de bezoekers, zonder rekening te houden met de infrastructuur waarin zij zich bewegen, een versie zouden geven van de stad die nog bedrieglijker is dan iemand die gelooft dat de kaart van Parijs de stad zelf is. Tussen de bezoeker en het bezochte kader ligt hetzelfde verschil als dat tussen de zoveelste deelnemer in de voortdurende ontwikkeling van Parijs en al diegenen die hem of haar zijn voorgegaan op het pad dat hij of zij zo moeiteloos volgt. Er is dus een pad – broos, geef ik toe – dat ons in staat stelt om het ‘kader’ gelijk te maken aan het individu ‘daarbinnen’. Het kader is hen, aangezien het overleven van de infrastructuur gedeeltelijk afhangt van het geld dat de bezoekers achterlaten en de goede indruk die zij hebben van hun bezoek. Aan de andere kant zijn de bezoekers tot op zekere hoogte dit kader, omdat ze vanaf nu in hun levensverhaal, in een deel van hun pad, kunnen opnemen dat ze Parijs ‘hebben gedaan’, terwijl Parijs ‘is gedaan’ (toegegeven, voor een klein beetje maar) door die­-en-­die specifieke bezoekers, die door dit poortje gingen bij Centre Pompidou, hun koffie toevoegden aan de lijst van drankjes die geserveerd werd in Café Flore, etc. Het enige dat nodig is, is een beetje geslepenheid om het een naar het ander om te vormen.

Maar deze infrastructuur is de maatschappij, zou je kunnen zeggen, waarin we, ‘natuurlijk’, altijd toeristen moeten ‘plaatsen’, zodat we niet gaan geloven dat ze ‘echt’ verwijderbare individuen zijn. Wanneer ze hun verlangen om Parijs te bezoeken volgen, reageren ze slechts op de reclamecampagnes van de reisbureaus, en, als we nog even verder terug gaan (of verder naar beneden), op de belangen van de bedrijven die het moeten hebben van de toerisme-sector op wereldschaal. Net zoals er een zoom is in de geografie, die ons in staat stelt voortdurend te schuiven van de schaal van de planeet naar de Place Beau­ bourg, lijkt er een zoom in de sociologie te zijn, van kapitalisme naar de arme Chinese toerist wiens portret wordt gemaakt door een kladderaar op de hoek van de Place du Tertre. Vanuit dit perspectief is Parijs gesitueerd ‘in’ Europa en ‘in’ het Kapitalisme, terwijl elke plek gelokaliseerd wordt aan de hand van breedte­ en lengtegraden, en elk individu aan de hand van overlappende belangen en passies.

En toch, terwijl de geografische zoom nog een zekere plausibiliteit kent, kan dat van de sociologische zoom niet worden gezegd. De eerste is louter een procedure van het tonen van het digitale document waarbij pixels worden verdeeld volgens de gevraagde grootte van het document, een simpele kwestie van DPI, het aantal pixels per inch; de laatste, de sociologische zoom, beschikt zelfs niet over zo’n procedure. Zodra ik de individuele toeristen achterlaat om naar ‘datgene’ te gaan ‘waarin’ ze zijn gesitueerd, begrijp ik niet meer waar ik het over heb. Ik neem genoegen met een vaag gebaar, en zeg: ‘Alles dat geen toeval is, daar zitten grote belangen achter.’ Aan de bar, waar ik dit definitieve vonnis vel, terwijl mijn stromannen instemmend knikken, denk ik dat ik ge­noeg heb gezegd… Beelden van het sociale lijken te veel op die T-­vormige kaarten uit de middeleeuwse geografie; er ligt een oceaan omheen waarover niemand iets weet, behalve dat het uitgestrekt is en gevaarlijk vanwege de monsters die er wonen. Over ‘de samenleving als geheel’ is niks bekend, be­halve dat het een cirkel vormt die alles omvat, waardoor het mogelijk is het gesprek onverbiddelijk te beëindigen.

Als we echt willen bestuderen wat ‘sociaal’ is in Parijs, dan zouden we het heel anders moeten aanpakken. We zouden voor de totaliserende ondernemingen moeten doen wat we net hebben gedaan voor kaarten: ze kantelen van de illusie van het panopticum naar de paden van oligopticums.

‘Parijs is onverdraaglijk geworden’, ‘de gemeente doet rare dingen’, ‘ze moeten overleggen met de plaatselijke overheden van naburige buitenwijken’, ‘de politie zou in de buitenwijken moeten patrouilleren’, ‘hondeneigenaars zouden hogere boetes moeten krijgen’, ‘er zijn geen gelegenheden voor amateurmuzikanten’: allemaal uitspraken die circuleren van mond naar media, van media naar portiers, van portiers naar bewoners, van bewoners naar petities, van petities naar kantoren, van kantoren naar besluiten, van besluiten naar het gerechtshof… Kunnen we deze ontelbare uitspraken bestuderen? Tot op zekere hoogte: op blogs, in kranten, cafés, etentjes, pleinen, in sms’jes. Ik ga er vanuit dat de burgemeester informanten heeft, zoals het politiebureau video’s en de veiligheidsdienst grote oren. Een massa van ge­ruchten en losse uitspraken wier circulatie, van punt tot punt, Parijs vorm geeft, net zoals de auto’s die rijden op de ring of de miljoenen gebruikers die dagelijks vervoerd worden in de metro. Er zijn regelmatig stakingen in het openbaar vervoer, maar dit transport van uitspraken (wat ik ‘het verzame­len van uitspraken’ noem) staakt nooit… Gelukkig maar… want anders zou Parijs voorgoed verdwijnen.

Sommige van deze woorden ‘totaliseren’ Parijs en zijn onderwerp geworden van hapklare uitspraken als ‘Parijs wil ademen’, ‘Parijs verwelkomt je’, ‘Parijs weigert’. Maar deze totaliserende zinnetjes circuleren op dezelfde wijze als de individualiserende, zoals dat van het kleine meisje dat in de zandbak bromt: ‘Mammie, ik verveel me…’. Het vastleggen van de circulatie van een uitspraak is heel wat anders dan beslissen of een uitspraak totaliserend of individualiserend is.

Terwijl het allegorische standbeeld van Parijs inderdaad ‘heel Parijs’ representeert, staat het simpelweg bij een kruising en neemt het ‘niet meer plaats in’ dan het beeld van Balzac op de Boulevard Raspail of dat van De Republiek op het gelijknamige plein. Net zoals de kaart niet het gebied is maar binnen het gebied ligt, waarvan het bepaalde bewegingen versnelt of faciliteert, en net als de Gouden Gids niet ‘heel Parijs’ is, waar het toch een essentieel onderdeel van is door heel snel adressen te lokaliseren, zo ook circuleren de totaliserende uitspraken die Parijs zien ‘als een geheel’ in Parijs, waar ze, zo zou je kunnen zeggen, hun fragmenten van totalisering aan toevoegen. De meest globale panorama’s hebben ook een adres, en zelfs als ze een academische en kwantificerende versie representeren, als iemand inderdaad ‘alles’ in hen ziet, is het altijd ‘in’ een donkere hal.

Waarom is het zo belangrijk om met zoveel hardnekkigheid de totaliserende perspectieven op Parijs te ‘lokaliseren’? Het is een kwestie van sfeer en adem, en dus, zoals Peter Sloterdijk zou zeggen, een serieuze kwestie van politiek. De illusie van de zoom, zowel in de geografie als in de sociologie, heeft het nadeel dat die het leven in de stad compleet benauwend maakt. Er is geen plaats meer, omdat alles is ingenomen door de naadloze overgang en er geen ademruimte is tussen de verschillende schalen die gaan van het geheel naar de delen of van de delen naar het geheel. Het opvullen is al gedaan. We stikken. Dit – om een geleerd woord te gebruiken – is een kwestie van mereologie: de verhouding van de delen tot het geheel, wat een privilege is van de politiek. Het is niet aan de geografie of sociologie om dit te snel te vereenvoudigen, terwijl wordt aangenomen dat het probleem is opgelost en het totaal al bekend is, alsof Parijs slechts een beeld is, in plakjes gesneden, en ligt te wachten om weer in elkaar gezet te worden. Dit idee van de relatie van de delen tot het geheel, als zou het gaan om een legpuzzel, is precies de ontkenning van politiek. Om politiek herboren te laten worden, om ademen in Parijs weer mogelijk te maken, moet de stad onzichtbaar blijven, in de zin dat noch de delen, noch de gehelen waarin zij passen van tevoren vastgesteld worden.

Vanuit dit perspectief is er niets verstikkender dan Google Earth, met zijn pretentie van naadloos inzoomen; niets meer reactionair dan de conventio­nele discoursen over de voortdurende stroom van mondiaal Kapitalisme naar de marktstallen van Maubert, via de (recentelijk gedigitaliseerde) prullenmand van Palais Brongiart, de Parijse effectenbeurs. Zoals Sloterdijk zegt, politiek is niet de revolutie maar de uitleg, dat wil zeggen, de ontplooiing van kunstmatige elementen waarvan we, tot nu toe, niet wisten dat we ervan afhankelijk zijn om te bestaan. Met andere woorden, politiek is een kwestie van airconditioning, de geleidelijke realisatie dat we bij elkaar leven in leefruimtes die zo onnatuurlijk zijn als broeikassen, en haar ingewikkelde mechanismes die geleidelijk aan ons verschijnen. Zij die geloven dat politiek vanzelfspre­kend is omdat het gaat over het Algemeen Welzijn waarvan ze de vorm en de gaven van tevoren zullen kennen, begaan meer dan een misdaad: zij vertonen politiek wangedrag.

Voor deze ruimte gebruik ik de term plasma – maar het is eigenlijk geen ruimte – waarin, al is daarbuiten niets, de verschillende bewegingen liggen van de totalisaties en deelnames die wachten op uitleg en samenstelling. De term lijkt abstract, maar dat komt doordat alle gebruikelijke metaforen worden gedefinieerd door de zoom, wat ons dwingt te geloven dat we begrijpen waar het over gaat wanneer ze zeggen dat er een aaneensluitend pad is tussen de delen en het geheel. Laat de zoom even buiten beschouwing, vermenigvuldig de connecties tussen de verschillende perspectieven op Parijs, zonder ze al te snel onderling vergelijkbaar te maken; meet de fundamentele onzichtbaarheid van alle oligopticums (elk van hen ziet goed, maar erg weinig), verplaats de plekken waar ze praten over Parijs ‘als een geheel’ (het kantoor van de burgemeester, het hoofdbureau van de Parijse prefectuur, de controlekamer van het waterbedrijf, het gebouw in de Boulevard Morland, etc. ), en vraag je af waarin je deze membra disjecta, deze verworpen delen, zou kunnen plaatsen, zonder ze meteen te relateren aan de ‘natuurlijke context’, een ‘samenleving’ of, uiteraard, ‘discourses’. Welnu, deze achtergrond is het plasma. Het geeft ons de mogelijkheid om de mate van onze onwetendheid over Parijs te meten. En het stelt ons vooral in staat om de politiek weer kans te geven, door voor haar de taak van het samenstellen te reserveren, en door het niet te naturaliseren of te socialiseren, of het in een simpel woordenspel te veranderen.

Zo’n tien jaar lang, hebben we toegegeven aan de verleiding om politiek te vervangen door management en de uitvoering van democratie door het vreselijke woord ‘governance’. We zien nu waarom: goed management, net als ‘good governance’, wordt gebruikt om de relatie tussen de delen en het geheel te reguleren op de meest harmonieuze en effectieve manier die mogelijk is. Ze houden van de zoom. Ze zien zaken eerst van bovenaf, dan vanaf het mid­den en uiteindelijk rond de bodem. Het is één grote onderling verbonden en perfect in elkaar gepaste reeks. Elke matroesjka pop wordt zonder discussie in een grotere matroesjka pop gezet en omvat zelf weer andere kleinere, al­ tijd zonder frictie. Dat is het zichtbare Parijs. Dat is het Parijs dat gemanaged wordt. Maak nu alle poppen open en gooi ze in het plasma, laat ieder van hen zelf vaststellen wat groter is en wat kleiner, zonder ze van tevoren in een specifieke volgorde te plaatsen en dus alle controverses over de betwiste relaties van de delen tot het geheel open latend. Dat is het onzichtbare Parijs. Dat is het politieke Parijs. Dat is het Parijs dat moet worden samengesteld.

Vertaling: Hermien Lankhorst