De kerk

De veranderde rol van kerkgebouwen in het publieke domein

W.B.H.J. van de Donk en J. Janssen

 [1]



‘Wat het kleed is voor de mens, is de architectuur voor een landschap. Door een kleed krijgt ons lichaam een nieuwe gedaante. Maar ook moet het ons passen en overeenkomen met onze waardigheid. Evenzo heeft de architec- tuur tot taak, het aanzien van een land of streek dusdanig te wijzigen, dat het eigen karakter en de geestelijke waarde van zo’n gebied zuiver tot uitdruk- king komen en tevens door het nieuwe uiterlijk vormend worden beïnvloed. Het behoeft nauwelijks betoog, dat de kerkelijke bouwkunst hierbij een heel bijzondere rol te vervullen heeft. Zij vervult bij het kleed van de architectuur de rol van het sieraad, dat alle aandacht voor zich opvraagt.’

Deze prachtige passage vormt de openingsparagraaf van een boeiend betoog van de benedictijner monnik Dom Hans van der Laan (1904­ – 1991) over kerkenbouw in Brabant (Van der Laan, 1952). Zijn betoog maakt onderdeel uit van een opvallend – in drie delen uitgegeven – werk, getiteld Het Nieuwe Brabant (1952 ­- 1955). Het Nieuwe Brabant weerspiegelde perfect de maatschappelijke context van de tijd waarin het verscheen: het Brabant van mijn ambtsvoorganger [W.v.d. Donk – red.] Jan de Quay in het begin van de jaren vijftig. Een Brabant waarin er sprake was van een nog aarzelende verstedelijking. En ook in onze dagen is de betekenis en de verschijningsvorm van de verstedelijking in Noord­Brabant niet zonder meer vergelijkbaar met die in andere delen van Nederland. Er is sprake van een mild soort verstedelijking, een, die zich met groene en blauwe vormen van dooradering vruchtbaar verbindt met de ommelanden. Brabant kenmerkt zich meer dan andere delen van het land door dynamische en symbiotische vormen van ‘stadteland’, door wat de OECD tegenwoordig omschrijft als vormen van ‘rurbanity’. De problematiek van de snel veranderende functie van kerkgebouwen, die wij in deze bijdrage aan de orde stellen, wordt overigens zowel in de steden als op het platteland ervaren, zij het dat die in de steden eerder aan de orde was dan op het platteland. Maar in deze dagen speelt die problematiek indringend ook in de kerkdorpen. De naam alleen al geeft aan hoe daar processen van ontkerkelijking doorwerken in de ruimtelijke, sociale en spirituele dimensies van het samenleven.

In deze bijdrage willen we, vertrekkend vanuit de observaties van Van der Laan, nagaan wat de veranderde functie van kerkgebouwen betekent voor het samenleven in Brabant, en welke mogelijke perspectieven voor herontwikkeling zich aandienen. Wij pleiten voor de start van een voorzichtig maar wel open debat over de vraag of hier geen sprake is van een ‘publiek belang’ dat wellicht ook aanleiding kan zijn voor een meer actieve maatschappelijke betrokkenheid van diverse partijen. Voordat we daar verder op in gaan, eerst iets over de historische context van Het Nieuwe Brabant waarin Van der Laan zijn betoog over kerkenbouw aan de orde stelde, en de positie van zijn opvattingen in de historische ontwikkeling van het katholiek ruimtelijk organiseren in Brabant.

Het Nieuwe Brabant

De titel van destijds verraadde een zeker optimisme ten aanzien van de toekomst. Daarvoor was alle reden. De schaarste van de eerste naoorlogse jaren leek begin jaren vijftig overwonnen. Onder invloed van de Amerikaanse Marshallhulp en gesteund door een op gang komende actieve industrialisatie­ politiek van de nationale overheid, werden in Noord­Brabant de contouren zichtbaar van het latere eigen Wirtschaftswunder (Walravens, 1995).

Het provinciaal bestuur, vanaf eind 1946 onder de bezielende leiding van Jan de Quay, droeg daar in niet geringe mate aan bij door de ontwikkeling van een eigen regionaal – economisch beleid. Dat kwam onder meer tot uitdrukking in een voor die tijd bijzonder voortvarend Welvaartsplan, opgesteld en uitgewerkt tussen 1947 en 1949 (Hoogstraten, 1988; Janssen, 2006). In het spoor van het optimistische Welvaartsplan vormden de jaren vijftig voor veel Bra­banders een tijdperk van nieuw, regionaal elan en van zich razendsnel aan­ kondigende veranderingen. Het is precies dat gevoel dat de redactieraad van Het Nieuwe Brabant met het bijvoeglijk naamwoord ‘nieuwe’ in de titel heeft willen uitdrukken. ‘Wat door voorgaande generaties werd voorbereid, werpt thans zichtbaar vruchten af’, aldus redactievoorzitter De Quay in zijn inlei­ ding. ‘De schuchterheid van de verdrukte is grotendeels verdwenen, evenzo de geprikkeldheid van de minderwaardige en de achtergestelde’. De boodschap van De Quay en het provinciebestuur was duidelijk: Brabant mocht zich omwille van de maatschappelijke vernieuwing niet afzijdig houden van de ontwikkelingen die de nationale staat in gang zette.

Het Nieuwe Brabant gaf uitdrukking aan een hernieuwd regionaal zelf­ bewustzijn, en van de bijzondere positie die de provincie op sociaaleconomisch en cultureel gebied zou willen innemen in de nationale eenheidsstaat. Het discours van ‘achterstelling en uitbuiting’ en het beeld van het ‘arme Brabant’ zoals dat tijdens de generaliteitsperiode zou hebben bestaan, klonk weliswaar in diverse bijdragen nog door, maar de veelbelovende ontwikkelingen die zich aftekenden op het terrein van economie, landbouw, scholing, cultuur enzovoorts, kregen eveneens aandacht. In Het Nieuwe Brabant werd geprobeerd het vooroorlogse conservatief­regionalisme met zijn angst voor ‘Hollandse’ (lees: protestantse) overheersing en ‘vreemde invloeden’ van buitenaf te vernieuwen, zonder daarbij de traditionele verworvenheden van datzelfde, katholiek geïnspireerde regionalisme overboord te gooien. De Quay vond het niet voor niets noodzakelijk dat men zich beraadde op ‘de eigenwaarden die in de maalstroom van uniformering niet verloren mogen gaan’, zeker ‘nu er steeds minder sprake is van een isolements­positie’ van Brabant.

De eigenwaarden waarover De Quay sprak waren begin jaren vijftig nog onlosmakelijk verbonden met het katholicisme, dat niet alleen in spirituele, maar ook in materiële zin de architectuur van de Brabantse dorpen en steden in hoge mate bepaalde. De torenspitsen die de skyline van het Brabantse landschap domineerden, symboliseerden het verbond tussen kerk en wereld dat in het eerste naoorlogse decennium nog fier overeind stond. De vele kerkgebouwen vormden de fysieke uitdrukking van het emancipatieproces waar in de negentiende en twintigste eeuw zoveel werk van was gemaakt door de katholieken. Na de Bataafse Revolutie, die een eind maakte aan de bevoorrechte positie van de Gereformeerde Kerk, en meer nog na de invoering van de grond­ wet in 1848, voelden katholieken zich steeds minder achtergesteld en gingen meer en meer hun plaats in de Nederlandse samenleving opeisen. Fraters en zusters waren werktuigen van de katholieke emancipatie, die in het bijzonder ook tot uitdrukking kwam door de bouw van heel veel nieuwe kerken, zeker in het ‘koortsachtig kerkenbouwende Brabant’ (Rogier en De Rooy, 1953).

Gods huis in het midden

Met het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 positioneerde de katholieke kerk zich letterlijk en figuurlijk in het midden van de Brabantse samenleving (Albers, 1903; Rogier en De Rooy, 1953). De vaak achter gevels van huizen en pakhuizen gevestigde schuilkerken, waarin de katholieke eredienst werd gehouden werden verruild voor een uitdijend landschap van veelal neogotische paleizen. ‘De Heer een huis te bouwen’, was de taak waarvoor de katholieken zich gesteld zagen. Onder aanvoering van Rome – en gevoed door contrareformatorische opvattingen – ontwikkelden regionale kerkelijke leiders een actieve cultuurpolitiek, waarin de fixatie op en van het heilige werd nagestreefd. Daarbij paste vanzelfsprekend ook een katholiek programma voor de materiële stoffering van de regio, dat de symbolische grens tussen het sacrale en het profane fysiek markeerde. De gewijde ruimte van de kerk – Gods huis – vormde het structurele element in deze door hiërarchie ingegeven katholieke herleving. Het kerkgebouw moest wederom een vast ijkpunt in het publieke domein worden om de relatie tussen Kerk en gelovigen te organiseren. De zichtbare manifestatie van de kerk stond niet op zichzelf, maar moest het in gang gezette kersteningsoffensief ondersteunen. Niet voor niets diende een hoge kerktoren, aldus de befaamde katholieke bouwmeester P.J.H. Cuypers, ‘om uit de verte de plaats der kerk aan te tonen, hij moet ook hoog zijn omdat de klokken het geluid in de verte over de woningen der gemeentenaren moeten verspreiden en hen ter kerke roepen’ (Cuypers, 1886).

Niet alleen de kerkgebouwen zelf, maar ook de inpassing ervan in de bredere, stedenbouwkundige context van dorp en stad moest voldoen aan de katholieke hiërarchie tussen het geestelijke en het stoffelijke. Niet voor niets lezen we in een brochure uit 1933 van het bisschoppelijk bouwbureau te ’s­Hertogenbosch dat in een katholieke streek ‘de parochie eenheid van uitbreidingsplannen is’, met ‘het Kerkgebouw als kern, daaromheen scholen, parochiehuizen, consultatiebureaus, kloosters, enz. [...] De Kerk immers en haar instellingen is het blijvende, vaste anker in het woelige, driftig wisselende leven’ (Studiekring Kerkelijke Bouwkunst, 1933). De kerk moest weer het centrum worden van het maatschappelijk leven – zoals de kathedraal centraal had gestaan in het stadsleven gedurende de vroege middeleeuwen. Hierin klinkt de hiërarchische visie op de verhouding tussen kerk en wereld door, die in de vooroorlogse periode met verve werd uitgedragen door de tot katholiek bekeerde hoogleraar architectuur M.J. Granpré Molière, bij wie Van der Laan colleges volgde (Meijer en De Heer, 1981). Hij stond op het standpunt dat pas nadat de plaats voor de kerk, het huis van God, was bepaald de stedenbouw in profane zin kon worden uitgeoefend.

De met de verzuiling gepaard gaande emancipatie van de katholieken in Brabant stond ‘in het teken van een geestelijk­cultureel herstelconservatisme’ (Von der Dunk, 1990: 99). Het was een conservatisme dat tot doel had de hië­rarchisch georganiseerde Kerk nadrukkelijker te verankeren en te verbinden met de lokale en regionale samenleving. Overigens moeten we dat conservatisme niet al te eenduidig plaatsen tegenover een meer vernieuwingsgezinde moderniteit. Want ‘wat herstel heette, was in feite een welbewuste modernisering, gedrapeerd in het kleed van de Middeleeuwen’, zoals historicus Peter Raedts onlangs treffend opmerkte (Raedts, 2011). Katholieken presenteerden zich eind negentiende, begin twintigste eeuw maar al te graag als over­ levenden uit de voortijd, maar daarachter verborg zich een hoogst moderne, efficiënte en invloedrijke organisatie, die zich – ook in bouwkundig opzicht – bediende van zeer moderne technieken.

De inzet van het herstel­conservatisme vond niet alleen plaats op de kleine schaal van het kerk­ en woongebouw, maar ook op de grotere schaal van dorp en stad. Zo werd op religieus­morele gronden een vorm van ‘katholieke planologie’ bedreven, gericht op de ruimtelijke versterking van de traditionele katholiek­sociale integratiekaders (Janssen en Beckers, 2007). Het ‘wereldlijke’ instrumentarium van de ruimtelijke ordening was een middel om de katholieke identiteit – sensus catholicus – van de regio te benadrukken en de gewenste sociale (en ook economische) ordening door te voeren. Het Brabantse landschap werd begin twintigste eeuw zodoende actief geherdefinieerd als een bij uitstek katholiek territorium, dat – als ware het een separate geloofsgemeenschap in de profane ruimte van de Nederlandse staat – moest worden gemarkeerd, afgebakend, ingericht en geordend naar katholieke principes.

Merktekens

De publieke ruimte, waarop de protestanten zo lang beslag hadden weten te leggen en dat ze wisten te domineren, moest worden heroverd en van nieuwe, katholieke merktekens voorzien. Het volledig door kerken, kloosters en kapellen ‘herkerstende’ en verzuilde landschap vormde de ruimtelijke expressie van de katholieke (moraal)leer, waarin de religieuze principes van het katholicisme tot uitdrukking werden gebracht. De architectonische vorm werd in het verlengde van de katholieke norm gedacht.

Ten tijde van het verschijnen van Het Nieuwste Brabant, leek het katholiek kerkelijk en religieus leven zich op grond van nieuw herwonnen historische verworvenheden in een comfortabel middelpunt van het publieke domein te vestigen. Niet langer hoefde de katholieke kerk, vechtend vanuit de marge en in de context van een behoorlijke hoeveelheid concurrerend aanbod of opgelegde restricties, zelfstandig een positie in de Brabantse ruimte te bevestigen. Tegen deze achtergrond is het niet vreemd dat in de planmatige mo­dernisering van het naoorlogse Brabant voor de kerk een prominente plek was gereserveerd. Het ‘sieraad’ in het kleed van de Brabantse architectuur waarover Dom Hans van der Laan sprak, mocht in de wederopbouw van steden en dorpen niet ontbreken. Het feit dat juist hij door De Quay als auteur van het hoofdstuk over kerkenbouw was aangezocht, vormt niet alleen uitdrukking van het belang dat de regionale bestuurlijke en maatschappelijke elite hechtte aan een prominente positie van de Kerk – in het (fysieke) hart van de Brabantse samenleving – maar ook aan vernieuwing van de kerkelijke architectuur en de herpositionering van de kerk in het maatschappelijk bestel. Van der Laan immers was net na de oorlog door aartsbisschop Jan de Jong benaderd om met een groep katholieke architecten uit heel Nederland nieuwe richtlijnen voor de wederopbouw van verwoeste kerken te ontwikkelen. Hieruit vloeide de befaamde ‘Cursus Kerkelijke Architectuur’ voort, die vanaf 1953 in het Kruithuis in ’s­Hertogenbosch door Van der Laan werd gedoceerd, en die zou leiden tot (Bossche) schoolvorming in de architectuur. Wie de bijdrage van Van der Laan uit 1952 leest, voelt het zoeken naar nieuwe vormen, nieuwe benaderingswijzen om het probleem van de kerkbouw in Het Nieuwe Brabant tegemoet te treden. De wat triomfalistische aanpak van zijn negentiende en vroeg twintigste­eeuwse voorgangers, zoals P.J.H. Cuypers en M.J. Granpré Molière, die met hun aan de Middeleeuwen ontleende neogotische en neoromaanse vormentaal vanuit de marge het publieke midden hadden ‘heroverd’, leek in de naoorlogse context niet alleen niet langer te voldoen, maar ook ongepast.

Dat had allereerst te maken met de sociaaleconomische situatie. Na 1945 was immers herstel van oorlogsschade de eerste prioriteit; in de jaren vijftig kwam de grootschalige bouw van nieuwe woonwijken en industrieterreinen op gang. ‘De verwoesting van zoveel oude en nieuwe kerken, en de algehele verarming van het land, eisten het gelijktijdig bouwen van vele en goedkope kerken’, aldus Van der Laan in Het Nieuwe Brabant. ‘De noodzaak om met zulke bekrompen middelen toch tot schone kunst te geraken, drong ertoe, zich ernstig te bezinnen en naar de sleutels der elementaire schoonheid te zoeken’.

Ten tweede speelde de veranderde organisatie waarbinnen de kerkbouw plaatsvond een rol. Als gevolg van de opkomende ruimtelijke planning op zowel gemeentelijk als rijksniveau, moest men nieuwe wegen inslaan, waarbij een procesmatige aanpak van bouwplannen voorop stond. Kerkelijke deskundigheid, bijvoorbeeld in de vorm van ‘Stedenbouwkundige Adviescommissies’, moest worden gemobiliseerd om een positie te claimen in de nieuwe planologische werkelijkheid. Zo werden gegevens met betrekking tot te verwachten woningen en parochianen op wetenschappelijke wijze vergaard, waardoor samengewerkt kon worden met de stedenbouwkundige planningsorganen van de overheid. Het was, naar later bleek, de voorbode van een zich in de jaren vijftig en zestig verbreidend proces van verstatelijking van het katholiek ruimtelijk organiseren.

Bouwwoede

De kerkelijke bouwwoede werd onderdeel van het brede liberaalburgerlijke midden van de Nederlandse samenleving. Die samenleving nam veel van het inhoudelijke programma van het katholicisme over (Van de Donk, 2001; 2007). Hetzelfde geldt ook voor de instituties die door kerken waren gesticht. Zo werden solidariteit en naastenliefde ondergebracht in het al even uitgebreide als ambitieuze programma van de verzorgingsstaat. En de voorheen katholieke kerken, pastorieën en gemeenschapshuizen, ooit geboren uit kerkelijk en particulier initiatief, werden in de jaren vijftig en zestig niet alleen steeds meer volledig gefinancierd uit publieke middelen, maar kregen daardoor ook steeds meer, sluipenderwijs, een publiek karakter. [2]

Ook in de Kerk zelf vond bezinning plaats op de kerkelijke grondslagen en liturgische aspecten van de eredienst. Die heroriëntatie leidde tot een soms radicale vernieuwing van de kerkenbouw, tot materialisatie van vernieuwde religieuze concepten (vooral in stedelijke uitbreidingsplannen). Die vernieuwing vond plaats tegen de achtergrond van een reeks van maatschappelijke vernieuwingsprocessen, die niet in de laatste plaats door de welvaartsplanning werden gestimuleerd. Zo moest voor de duizenden Brabanders die in de jaren vijftig hun vertrouwde woonomgeving in dorp en stad verlieten om in de nieuwe woonwijken onderdak te vinden, een nieuw, geestelijk tehuis worden gebouwd. Dat tehuis, zo verwoordde ook Van der Laan, zou het centrum moeten worden van de nieuwe, in bestuurlijke, sociologische en planologische kring aangehangen ‘wijkgedachte’ (Doevendans, 1988). Vanuit deze optiek zou het kerkgebouw het centrum moeten zijn van een waaier aan sociaal­maatschappelijke voorzieningen. Het kerkgebouw was zodoende dus niet langer uitsluitend het centrum van de eigen, katholieke geloofsgemeenschap, maar een sociaal­culturele eenheid, met een breder draagvlak in de stedelijk­verzuilde gemeenschap. Kerken werden op deze wijze een functioneel instrument tot vorming en opvoeding in de wederopbouwperiode (Melchers, 2011). Zo werd de gevreesde afnemende functie van de kerk tegengegaan. De kerk moest weer op georganiseerde wijze het centrum worden van het maat­ schappelijke leven in de nieuwe Brabantse woonwijken.

De vooroorlogse ideeën over de symboolfunctie van de kerk als hoeder van de traditie en, belangrijker, herkenningspunt binnen het nieuwe stads­ en dorpsgezicht, werden in deze nieuwe (steden)bouwkundige context in toenemende mate bekritiseerd. Want wat was eigenlijk nog de betekenis van een traditi­oneel element in de nieuw geplande woonwijk? Desondanks bleven kerken, samen met scholen en gemeenschapsvoorzieningen, nog centraal staan als compositorisch onderdeel van de ‘wijkgedachte’. Alleen stond de kerk niet langer prominent op zichzelf, maar werd onderdeel van een bredere, sociaalculturele functie, een soort civic centre. Dit paste in het, met name in protestantse kring, aangehangen concept van de dienende kerk, die schuilplaats is voor de stadsnomade en voertuig voor menselijk contact (Peet, 2004).

Markthal

Het kerkgebouw werd niet alleen als sociaal­maatschappelijk fenomeen onderwerp van maatschappelijk experiment, ook de architectonische middelen tonen in de jaren vijftig en zestig een staalkaart aan interpretaties en variaties. Daaraan droeg ook Dom Hans van der Laan zelf in niet gering mate bij. Onder meer met zijn zoektocht naar zuivere architectonische uitdrukking van de klassiek overgeleverde, vroegchristelijke basilieken, op basis van de theorie van het plastisch getal. Van der Laan onttrok zich in toenemende mate aan de door de Brabantse geestelijkheid gewenste bezinning op een aan de nieuwe tijd aangepaste zelfbewuste en triomfalistische katholieke architectuur. Het specifiek katholieke werd door hem verruild voor het meer algemene, het universele. In zijn optiek hoorde een kerk ‘alleen maar de ruimte te zijn die wij van nature nodig hebben voor beschutting en onderdak [...] De voorwaarden die men aan een kerk stelt, gelden daarom in principe voor ieder huis, voor ieder verblijf van mensen’ (Graatsma en Naalden, 1982: 10).

De voorzichtige pogingen van Van der Laan om de traditionele opvattingen over kerkbouw te doorbreken, vinden pas na 1955 brede weerklank in katholieke kring (Peet, 2004).[3] Tot die tijd poogt de Brabantse clerus en het bestuur de schade aan zowel het bestaande culturele erfgoed als de ruimtelijke structuur van stad en land zoveel mogelijk in oude luister te herstellen. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962­1965) vormde de feitelijke scheidslijn waarlangs zich de door Van der Laan (en anderen) aangekondigde vernieuwing – een aggiornamento in de katholieke kerkelijke bouwkunst in Brabant zich voltrok. Vóór het Concilie werd het traditionele type kerkgebouw met architectonische middelen vernieuwd, na het Concilie voltrok de vernieuwing van de kerkbouw zich door een conceptuele benadering van de kerkelijke identiteit. Daarbij speelden niet alleen architectonische, maar ook praktische overwegingen een rol. Want hoewel kerken grotendeels ontsnapten aan de toenemende industrialisatie en standaardisatie van de bouw, werd het decoratief programma buitengewoon sober. De langwerpige basilicale plattegrond maakte plaats voor een markthalachtige ruimte zonder zijbeuken. Het altaar werd naar voren geschoven, zodat de kerkgangers zich rondom de pastoor konden scharen. Deze stond voortaan met zijn gezicht naar de mensen toe. Een teken dat de kerk zich meer wilde openstellen voor de moderne tijd en de daardoor beïnvloede gelovigen. Ook het beroep op ruimtelijke beschutting van tijdloze waarden (geslotenheid) uit de vooroorlogse periode werd verruild voor transparantie. Zo werd een meer open contact tussen Kerk en stedelijke samenleving bevorderd. Het sacrale en profane, door bouwmeesters als Cuypers en Molière nog nadrukkelijk van elkaar gescheiden, werd nu doelbewust met elkaar in verband gebracht. De dichotomie maakte plaats voor een overgangs­ of drempelzone.

Vanaf eind jaren vijftig, begin jaren zestig vond in de katholieke kerkelijke bouwkunst een verschuiving plaats van herbouw naar nieuwbouw, van traditie naar moderniteit, als antwoord op de democratisering en individualisering van de kerkelijke gemeenschap. In die verschuiving lag feitelijk al de kiem verborgen van de daarop volgende marginalisering van het kerkgebouw als centrum van diezelfde gemeenschap. De stedenbouwkundige en demografische veranderingen van de jaren zestig van de twintigste eeuw zorgden voor een leegloop van de binnensteden. De woonfunctie van veel stadscentra ging verloren door de eerder genoemde ‘trek naar buiten’. Aangemoedigd door de toegenomen welvaart en mobiliteit verhuisde de stadsbevolking naar de moderne stadsuitbreidingen die in hoog tempo uit de grond werden gestampt. Deze verschuiving maakte, samen met het proces van ontkerkelijking (we spreken hier bewust niet van secularisatie! [4] ), dat overal in Brabant negentiende en vroeg­twintigste eeuwse kerkgebouwen buiten gebruik werden gesteld. De kerkelijke groeperingen in de binnensteden werden te klein om het kostbare onderhoud te blijven dragen. De hoop op een betere toekomst leek uitzichtloos. Vanaf de jaren zeventig nam immers de vraag naar kerkelijke nieuwbouw zienderogen af. Er was sprake van zowel een verzadiging als een zich sterk manifesterende ontkerkelijking. In de buitenwijken speelde tevens de teloorgang van de ‘wijkgedachte’ een rol. Onder meer door de toegenomen automobiliteit en de opkomst van grootschalige winkelcentra, nam de maatschappelijke functie van het kerkgebouw als civic centre sterk af. En met de ontkerkelijking verdween ook nog eens de religieuze functie. Voor velen in het eens zo katholieke Brabant was niet duidelijk waar kerken nog toe dienden, wat hun plaats zou moeten zijn in een moderne samenleving, en of er überhaupt nog wel kerken gebouwd moesten worden. De ruimtelijk­fysieke implicaties van de ontkerkelijking werden zichtbaar door sloop en afbraak van kerken. In een toespraak ter gelegenheid van de kerken­ bouwzondag in 1967 voorzag de oecemenisch bevlogen Bossche bisschop Jan Bluyssen (opvolger van de eveneens zeer geliefde Brabantse bisschop Bekkers) deze ontwikkeling. Hij kondigde – in de kenmerkende vernieuwingstaal van ‘Vaticanum II’ – aan dat experimenteren met een multifunctioneel gebruik van kerkgebouwen niet kon uitblijven (Bluyssen, 2004).

Tegenbeweging

Het duurde echter niet lang, of er kwam een tegenbeweging op gang. In eerste instantie door een kleine groep van bij de lokale geloofsgemeenschap betrokken katholieken, voor wie de veranderingen zich in al te snel tempo hadden voltrokken en die – in de terminologie van het sociologisch discours van de jaren zestig – in een soort ‘cultural lag’ verkeerden. Veel katholieken in Brabant hadden immers al met pijn en moeite de modernisering doorstaan die Vaticanum II had bevolen. Die had ertoe geleid dat veel kleurrijke, neogotische kerkinterieurs waren ‘schoongemaakt’ en op moderne leest geschoeid. De zuivere, zakelijke, en functionalistische architectuur, met bijbehorende witte, kale ruimten, die door de cursus kerkelijke architectuur van Dom Hans van der Laan was bevorderd, stond voor veel Brabanders te ver af van de poëzie, kleur, beeldcultuur en warmte die ze gewend waren van de katholieke kerk. Nog geen decennium later bleken ook de laatste manifestaties van het door Van der Plas (1963) gedocumenteerde ‘Rijke Roomse Leven’, namelijk de ontvolkte kerkgebouwen zelf, te moeten worden opgeruimd. In de vroege jaren zeventig klonken dan ook de eerste protesten en begon – weliswaar in kleine kring – de herwaardering van het katholieke bouwen, nu echter vanuit een historisch­nostalgisch perspectief. Niet langer was het geloof, maar de herinnering aan de katholieke cultuur de drijvende kracht achter de herneming van de neogotische erfenis, die door Dom Hans van der Laan en anderen was verruild voor een meer op eigentijdse leest geschoeide kerkelijke architectuur. Nu het katholieke Brabant op het punt stond te verdwijnen, werd de notie van cultureel erfgoed opgeroepen. Na de marginalisering van het kerkgebouw uit het midden van de samenleving, vond de monumentalisering ervan tot erfgoed plaats. Zoals dat voor veel erfgoed geldt, krijgt het die monumentale betekenis in de praktijk vooral wanneer iets dierbaars tot het verleden dreigt te gaan behoren en er een extra bewaarinspanning wordt gevergd. De no­ tie van cultureel erfgoed vormt dan een argument om een object, doorgaans los van economische belangen en de sociale en maatschappelijke context, te behouden. Dat bleek begin jaren zeventig bijvoorbeeld toen de neogotische Barbarakerk van Cuypers in Breda, sinds 1875 in gebruik als kathedraal, werd gesloopt, mede als gevolg van de ontvolking van de Bredase binnenstad. De sloop van deze bisschopszetel vormde, aldus kerkhistoricus Peter Nissen, het symbolisch keerpunt in de omgang met de katholieke kerkbouw in Brabant (Nissen, 1997). Een beroemd ‘heilig huis’ sneuvelde. Dat maakte in de stedelijke samenleving van toen nog veel gevoelens los. Dergelijke emotionele confrontaties waren – op kleinere schaal – in diezelfde periode ook merkbaar bij het verzet van parochianen tegen voorgenomen kerksluitingen, zoals in Eindhoven bij de St. Lambertuskerk.

De ongerustheid van een groeiende groep Brabantse (ex)katholieken over de (voortgaande) sloop van kerken werd door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg overgenomen. De officiële monumentenzorg, die zich tot dan toe vooral had beziggehouden met de bescherming van gebouwen uit de periode tot 1850, gaf het nostalgisch verlangen naar het laat negentiendeeeuwse en vroeg twintigste­eeuwse Rijke Roomse Leven een professionele inbedding (Van der Woud, 2008). Ze benoemde de restanten die de vermeende ‘grote schoonmaak’ van ‘Vaticanum II’ hadden overleefd – op basis van de Monumentenwet uit 1961 – tot (katholiek) erfgoed. Zodoende baarde de marginalisering van de kerk haar eigen materiële reformatie, in de vorm van een toegenomen monumentalisering.

Monument in het midden

De opname van de fysieke restanten van het Rijke Roomse Leven in de canon van de staastgedreven monumentenzorg verliep in de daarop volgende decennia uiterst voorspoedig. Die snelle inlijving van het negentiende­eeuwse katholiek religieus erfgoed werd ongetwijfeld in de hand gewerkt door de in kunsthistorische kring hooggewaardeerde symbolische inhoud en samenhang van de katholieke Gesamtkunstwerken. In tegenstelling tot de door­ gaans sobere kerkarchitectuur van de protestanten, imponeerde de negentiende eeuwse neogotische pracht en praal van de katholieken. De kleur, poëzie en warmte die de neogotische kerken uitstraalden, maakten ook dat bescherming ervan op brede maatschappelijke instemming kon rekenen. Daarnaast kon de monumentenzorg gemakkelijker dan de lokaal gewortelde en autonoom opererende protestante kerkgemeenschappen in overleg treden met het gecentraliseerde katholieke kerkbestuur. Anders dan de katholieke kerkenbouw, die altijd vanuit de gecentraliseerde kerkleiding is aangestuurd en gecontroleerd, mist de protestante kerkbouw uniforme voorschriften en een eenduidige ideologie. Dat bemoeilijkte de totstandkoming van een gezamenlijke en breed gedragen strategie voor de monumentalisering van het protestants erfgoed.

Werd de monumentalisering van de fysieke hoogtepunten van het Rijke Roomse Leven in de jaren zeventig nog gevoed door het activisme van burgers die als gelovigen waren opgegroeid in de kerk, enkele decennia later was sprake van een meer geprofessionaliseerde en gedistantieerde blik op de erfenis van het katholicisme. Aan het einde van de twintigste eeuw verschenen er ineens allerlei boeken waarin religieuze werelden beschreven werden die verloren waren gegaan, te beginnen met Memoriale. Katholiek leven in Nederland in de twintigste eeuw (1996). Het was een indrukwekkend gedenkboek met prachtige foto’s van vervlogen tijden, die, overeenkomstig de populaire secularisatiethese, wilden uitdrukken dat de geloofsovertuigingen met bijbehorende symbolische en materiële cultuur, voornamelijk interessant zou zijn als categorie voor fossielen, als relicten die de tand des tijds niet hebben kunnen doorstaan.

Deze toegenomen afstand tot het katholieke verleden, zorgde op het breuk­ vlak van de eenentwintigste eeuw voor een renaissance van de erfgoedgedachte, en het ‘oprekken’ van de monumentenstatus. Ook de naoorlogse periode kwam zodoende binnen bereik van de monumentenzorg, met als gevolg dat niet alleen de negentiende­eeuwse neogotische erfenis, maar ook de meer moderne, Bossche School­kerken uit de wederopbouwperiode in aanmerking kwamen voor een erfgoedstatus. Via de geijkte procedures van de professionele monumentenzorg (selectie en waardering) worden inmiddels waardevolle, naoorlogse kerkgebouwen als erfgoed gecategoriseerd en voor bescherming voorgedragen op de monumentenlijst. [5]

Hoewel het discours van de monumentalisering en – in het spoor daarvan – herbestemming van religieus erfgoed, na een aarzelende start in de jaren zeventig, zich mag verheugen in een toenemende maatschappelijke populariteit, is de rooms­katholieke kerk zelf andere wegen ingeslagen. Al eerder heeft cultuurhistoricus Bijsterveld (2009) erop gewezen dat er, na de aanvankelijke convergentie tussen kerk en monumentenzorg, nu steeds meer sprake lijkt van divergerende, elkaar soms welhaast uitsluitende, perspectieven. Vanuit de kerk is een meer rigide en orthodoxe lijn ingezet, ingegeven door zowel religieuze motieven als financiële belangen.

De heroriëntatie op het Romeinse leergezag en een strengere, meer theolo­ gisch, op de eredienst gerichte houding van de clerus heeft de ruimte voor herbestemming ingeperkt. Die ruimte is bij de katholieken overigens per definitie al minder groot dan bij protestanten. Dat heeft te maken met het feit dat, zoals eerder vermeld, het kerkgebouw in katholieke kringen wordt opgevat als een Domus Dei, het huis van God, een gewijde en heilige ruimte.

Partycentrum

In de meer starre opstelling van de rooms­katholieke kerk hebben ongetwij­feld ook de eerste, slechte, ervaringen met herbestemming van kerken in de jaren tachtig en negentig meegespeeld. De profane, nieuwe functie vond daarbij in het geheel geen aansluiting bij de spirituele en religieuze dimen­sie van het kerkgebouw en stond daarmee soms zelfs in regelrechte tegenstelling. Een pregnant voorbeeld is de in 1990 tot partycentrum verbouwde Sint­Josephkerk in ’s­Hertogenbosch. Daarover ontstond veel discussie omdat op deze liturgisch heilige plek voortaan profaan gefeest en gedanst zou worden. Kerken die aan de eredienst worden onttrokken en niet van grote cultuurhistorische en monumentale waarde zijn, kunnen volgens menig kerkleider daarom beter worden gesloopt dan dat ze hun religieuze identiteit verliezen. Overigens blijkt het (katholieke) leven ook in deze praktijk soms sterker dan de leer. In de praktijk is er de nodige variëteit waarneembaar in de houding van de bisschoppen/bisdommen ten aanzien van herbestemming van religieus erfgoed en de opvatting over wat nu exact profane functies zijn. Er was ook een financieel motief voor heroriëntatie op nieuwe functies. Veel bisdommen en parochies verkeren in financieel zwaar weer. Hun fragiele financiële positie vormt een prikkel om een verouderd kerkgebouw eerder te slopen dan van een nieuwe functie te voorzien. Sloop van een kerkgebouw levert voor de kerkelijke gemeenschap meestal meer geld op dan herbestemming (Bisseling et al., 2011). Voor projectontwikkelaars geldt vaak ook dat de bouwtechnische en financiële risico’s van herbestemming niet opwegen tegen sloop en nieuwbouw. Kerkelijke architectuur blijkt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld fabrieksgebouwen, een lastige herbestemmingscategorie.

Zowel de striktere interpretaties van de rooms­katholieke kerk ten aanzien van de eredienst, de financieel zwakke positie van bisdommen, die de mogelijkheid hebben om met hun vastgoedeigendom vermogen te genereren om te blijven bestaan, samen met de projectontwikkelaars die meer verdienen aan sloop­nieuwbouw, zorgen voor een paradoxale situatie. De Kerk, die voorheen zorgde voor samenhang, cohesie en betrokkenheid in de Brabantse parochies, kiest er nu voor het gebouw dat die bredere sociale, culturele en religieuze waarden symboliseert en representeert, op te offeren voor een smallere en meer orthodoxe invulling ervan.

Daarmee ontstaat een nieuwe fase in het debat over de betekenis van kerkgebouwen, waarin zich opnieuw andere partijen dan de kerkbestuurders en gelovigen melden. Vanuit een perspectief van gemeenschap en leefbaarheid verdwijnt er met de sloop van een kerk tenslotte meer dan een stapel stenen. Zoals hiervoor betoogd, was het bouwen van kerken lange tijd onderdeel van een breder ruimtelijk en sociaal­cultureel ‘bouwen’. Gesloopte kerken laten daarom vaak een sociale en ruimtelijke krater na in de omgeving. Niet zozeer de ontzuiling en het afstoten van kerkelijk vastgoed, maar de ontzieling van de omgeving die gepaard gaat met de sloop van de kerk vormt een steeds groter maatschappelijk probleem, en vormt hier en daar wellicht een nieuw publiek belang dat de basis kan zijn voor overheidsbemoeienis. [6] De problematiek deed zich eerst voor in de steden, waar het aantal vaste kerkbezoekers sinds de jaren zestig sterk is gedaald, maar is inmiddels ook op het (Brabantse) platteland sterk voelbaar. Waar het proces van afstoting en sloop in de steden wat geruislozer verloopt, wordt dit gevoel van ontzieling in het platteland totaler. Dat is niet zo vreemd als we bedenken dat de publieke functie van de kerk in kleinschalige gemeenschappen zich letterlijk en figuurlijk meer prominent manifesteert dan in de stad. Niet voor niets spreken we van ‘kerkdorp’, en niet van ‘kerksteden’. Er lijkt voorlopig geen oplossing in zicht voor deze paradoxale situatie. Integendeel, de problematiek lijkt zich verder te verdiepen. Eendimensionale benaderingen in de discussie over de toekomst van kerkgebouwen domineren de discussie, zowel van de zijde van de rooms­katholieke kerk (met zijn focus op de eredienst) als van de zijde van de monumentenzorg (die de monumentwaarde van het object voorop stelt) als van de vastgoedsector (die economische waardevermeerdering nastreeft). Vanuit een breder perspectief komen nog andere aspecten aan bod. Want met de sloop van kerken wordt niet alleen de ruimtelijke structuur die ooit leidend was bij (steden)bouwplannen aangetast, maar ook de sociale structuur van de gemeenschap. Wat verdwijnt is een ankerpunt voor de herinnering, het symbolisch hart van een gemeenschap, maar ook een krachtig religieus en bezield teken van geloof, hoop en liefde. Zelfs al verliest een kerkgebouw zijn functie als plaats van de eredienst, het blijft – in termen van de befaamde Franse historicus Pierre Nora – een lieu de mémoire, een drager van betekenis en zingeving, zowel profaan als religieus, zowel individueel als collectief (Brok et al., 2012). Deze sociaal­culturele dimensie is nog amper in beeld; ze past ook minder in het discours van tot nu toe dominante partijen in de discussie over religieuze gebouwen. Deson­ danks ligt in de sociaal­culturele dimensie niet alleen een belangrijke sleutel voor een beter begrip van de publieke functie van de kerk, maar ook voor een duurzame toekomst.

Ankerpunten

In het reguliere discours over de herbestemming van religieus erfgoed staat slechts de architectonische en bouwhistorische dimensie van het kerkgebouw als plaats van de eredienst centraal, naast de intrinsieke waarde als monument en de economische waarde als vastgoed. Maar het kerkgebouw bezit ook een toegevoegde waarde, een symbolische en spirituele lading, die de hele gemeenschap aangaat. De kerk was en is meer dan enkel het huis van God en de plaats waar gewijde handelingen plaatsvinden. Ze was (en is soms nog) ontmoetingsplaats, begraafplaats, gerechtsplaats, verkooppunt, nieuwscentrum, aanplakplaats. In en rond de kerk vermengden zich, zoals Bijsterveld (2009) terecht constateert, altijd sociale en profane functies. Vanuit een dergelijk perspectief fungeren kerken in vele delen van het ontzuilde Brabant nog altijd als ankerpunten in de mental map die mensen zich van hun stad en dorp vormen. Kerken vervullen zodoende een cruciale rol in de stedenbouwkundige en sociale structuur van stad en land. Dat dwingt tot zorgvuldigheid als het gaat om behoud en doorontwikkeling ervan.

Het gebouw kerk staat zo intussen voor meer dan het instituut Kerk, dat merkwaardig genoeg steeds meer voor een smalle en op de eredienst gefocuste benadering van het probleem van de ooit zo trots gebouwde kerken staat. Die Kerk verhuist naar de marge van de samenleving, de gebouwen blijven in het nu verweesde midden van die samenleving achter. Maar juist in het maatschappelijk verzet tegen de sloop van de kerken, met name die in de dorpen (‘kerkdorpen’) klinkt iets door van een agenda die ook als een agenda van de marge kan worden herkend (Taylor, 2007 en Boot, 2010). De door de modernisering en individualisering van de samenleving optredende verschraling in onderlinge betrokkenheid en gemeenschapszin (nauw samenhangend met secularisering die er zowel het gevolg van is, maar ook de voorwaarde schept voor verdere ‘modernisering’) wordt de behoefte aan zo’n agenda gek genoeg ook weer opgewekt (WRR, 2009). Hier toont zich de door cultuursocioloog Van den Brink (2012) zo scherpzinnig geanalyseerde verschuiving van de eertijds religieuze toewijding aan het sacrale naar nieuwe objecten van toewijding in het sociale en het vitale. Vanuit een dergelijk, meer transformatief begrip van het sacrale, is het wellicht ook mogelijk de toekomst van de kerken weer te verbinden met de bredere, maatschappelijke ontwikkeling van Brabant.

Onderling sociaal vertrouwen, leefbaarheid, sociaal kapitaal: de monumentale benadering van de ‘kerkenproblematiek’ schiet volgens ons te kort om echt te begrijpen wat er aan de hand is. Om in de geest van Dom van der Laan te spreken: men is nog gekleed, maar ziet dat sieraden in de samenleving aan het verdwijnen zijn. Daarin ligt wellicht een reden voor de samenleving om zich opnieuw tot deze problematiek te verhouden: leefbaarheid, de zorg om die actief vorm te geven, ook in het publieke domein. De problematiek is niet gemakkelijk: hoe te handelen in een situatie waarin kerkelijke gebouwen nog steeds in het volle midden van de samenleving staan, maar waar de Kerk als institutie steeds meer naar de marge is verplaatst? Wie draagt zorg voor het materiële erfgoed van de katholieke religie, nu de (krimpende) religieuze instellingen en hun kerkgemeenschappen daartoe niet langer in staan zijn? Vertrekpunt voor de beantwoording van deze complexe vraag lijkt ons in elk geval dat het religieus erfgoed niet van de kerken alleen is, en we de kerk­ besturen en hun gemeenschappen ook niet alleen mogen opzadelen met de instandhouding ervan.

Bezielde verhalen

De hier geschetste problematiek is niet het exclusieve eigendom van instituties en van hiërarchische organisaties, ze is niet het eigendom van de kerk en niet van de overheidsgedreven monumentenzorg. Ze kent in toenemende mate een publiek karakter en vraagt veeleer om een gemeenschappelijke en gedeelde verantwoordelijkheid, om wat we, in het verlengde van de hier gepresenteerde gedachtevorming, de vermaatschappelijking van het midden zouden willen noemen. Een dergelijk, meer publiek perspectief creëert ruim­ te voor het verbreden van de arena, van het netwerk van betrokken actoren, en vergroot daarmee ook de kans dat dynamische visies, strategieën en oplossingen worden ontwikkeld die het religieus erfgoed in maatschappelijke, functionele en economische roulatie kunnen houden (Janssen, 2012). Niet voor niets is erfgoed een bij uitstek sociaal fenomeen, dat zijn waarde behoudt (en vermeerdert!) door de verhalen die er over worden verteld, het gebruik dat er van wordt gemaakt en de moeite (ook in geld) die er door groepen in de samenleving voor wordt gedaan (Bazelmans, 2012).

Bezieling van kerkelijke gebouwen door een ander, niet­kerkelijk of ­liturgisch doel lijkt in dit verband niet bij voorbaat een onbegaanbare weg. Wij realiseren ons dat dit geen eenvoudige opgave is in een seculaire cultuur die niet langer vertrouwd lijkt met de christelijke traditie en daarmee verbonden geloofspraktijken. Evenmin wordt een dergelijk debat gediend met een al te orthodoxe, naar binnen gekeerde houding van kerkelijke overheden. Samenleving en kerk hebben naar onze mening alle aanleiding voor een hernieuwde dialoog, die niet a priori moet worden gegijzeld door een eendimensionale benadering van wat zich als een al even interessant als dringend probleem aan ons voordoet.

<em>Literatuur</em>

Albers, S.J. P. (1903). <em>Geschiedenis van het herstel der hiërarchie in de Nederlanden.</em> Nijmegen: Malmberg Uitgeverij.

Bazelmans, J. (2012). ‘Erf-goed: waarde in meervoud’, <em>Vitruvius. Onafhankelijk vakblad voor archeologie, cultuurlandschap, monumentenzorg</em>, 20, 14-20.

Bijsterveld, A.J. (2009). ‘Religieus Erfgoed: meer dan stenen alleen’, in: idem, <em>Maakbaar erfgoed. Perspectieven op regionale geschiedenis, cultureel erfgoed en identiteit in Noord-Brabant</em>, Tilburg: Zuidelijk Historisch Contact, 139-144.

Bisseling, H., Broekhuizen, J., Oosterwijk, G., Vliek, W. en Wolswinkel, A. (2011). ‘Financiële aspecten van kerksluiting’, in: H. Bisseling, H. de Roest en P. Valstar (red.), <em>Meer dan Hout en Steen</em>. Boekencentrum: Zoetermeer, 201-214.

Bluyssen, J. (2004). <em>Gebroken wit: vrijmoedige herinneringen en reflecties</em>. Zaltbommel: Kempen Uitgevers.

Boot, A. (2010). <em>The Crisis behind our crisis</em>. Huntingdon: St Matthew Publishing.

Brok, L., Jacobs, J., Winkeler, L. en Van der Zeijden, A. (2012). <em>Aan plaatsen gehecht. Katholieke herinneringscultuur
in Nederland</em>. Nijmegen: Valkhof Pers.

Cuypers, P.J.H. (1886). ‘Nieuwe kerk van den heiligen Dominicus te Amsterdam’. <em>Bouwkundig Weekblad</em> 6, 196-198.

Doevendans, C. (1988). <em>De wijkgedachte in Nederland: gemeenschapsstreven in een stedebouwkundige context</em>. Eindhoven: TU Eindhoven.

Janssen, J. (2006). <em>Vooruit denken en verwijlen. De (re)constructie van het plattelandschap in Zuidoost-Brabant, 1920-2000</em>. Tilburg: Zuidelijk Historisch Contact.

Janssen, J. en Beckers, Th.A.M. (2007). ‘Katholieke planologie. Verzuiling en ruimtelijke ordening in Noord- Brabant en Limburg, 1920-1960.’ In: <em>Tijdschrift voor Geschiedenis</em> 3, 350-365.

Janssen, J. (2012). <em>De toekomst van het verleden. Over ruimtelijke ordening en erfgoedzorg na Belvedere</em>. Wageningen: Wageningen University.

Landheer, H.A. (2004). <em>Kerkbouw op krediet: de financiering van de kerkbouw in het aartspriesterschap Holland en Zeeland en de bisdommen Haarlem en Rotterdam gedurende de periode 1795-1965</em>. Amsterdam: Aksant.

Meijer, H. en De Heer, J. (1981). <em>Rooms bouwen</em>. Eltheto 64, Zeist: NCSV.

Melchers, M.J. (2011). <em>Nederlandse kerkarchitectuur in de twintigste eeuw: functie en betekenis van het kerkgebouw in een veranderende samenleving</em>. Leiden: Univeristeit Leiden (dissertatie).

Nissen, P.J.A. (1997). ‘Vergruizing van de katholieke zuil.’ In: H.F.J.M. van den Eerenbeemt (red.), <em>Geschiedenis van Noord-Brabant. Deel 3: dynamiek en expansie, 1945-1996</em>. Amsterdam/Meppel: Boom, 271-285.

Peet, J. (2004). ‘Een hoeksteen in de architectuur. Protestantse invloeden in de discussie over een nieuwe katholieke kerkelijke bouwkunst, 1957-1967.’ In: <em>Trajecta. Religie, cultuur en samenleving in de Nederlanden</em> 1, 233-257.

Pijfers, H. en Roes, J. (1996). <em>Memoriale: Katholiek leven in Nederland in de twintigste eeuw</em>. Zwolle: Waanders.

Raedts, P. (2011). <em>De ontdekking van de Middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie</em>. Amsterdam: Contact.

Rogier, L.J. en De Rooy, N. (1953). <em>In Vrijheid Herboren. Katholiek Nederland 1853-1953</em>. ’s-Gravenhage: Pax.

Studiekring Kerkelijke Bouwkunst (1933). <em>Katholiek Cultuurwerk in Brabant: hoe in dit gewest uitgebreid en gebouwd dient te worden</em>. ’s-Hertogenbosch.

Taylor, C. (2007). <em>A Secular Age</em>. New York: Harvard University Press.

Van Hoogstraten, P. (1988). <em>De ontwikkeling van het regionaal beleid in Nederland 1949-1977. Een verkenning van de mogelijkheden en grenzen van overheidsingrijpen in de ruimtelijke structuur</em>. Eindhoven: TU Eindhoven.

Van Leeuwen, A.J.C. (2007). <em>Pierre Cuijpers. Architect 1827-1921</em>. Zwolle: Waanders Uitgeverij.

Van de Donk, W.B.H.J. (2001). <em>De gedragen gemeenschap: over katholiek maatschappelijk organiseren de ontzuiling voorbij</em>. Den Haag: SDU.

Van de Donk, W.B.H.J. (2007). <em>De marge als middelpunt?</em> [Oecumenelezing 2007], Utrecht.

Van den Brink, G. (2012). <em>De Lage Landen en het hogere. De betekenis van geestelijke beginselen in het moderne bestaan.</em> Amsterdam: AUP.

Van der Laan, H. (1952). ‘Kerkelijke bouwkunst.’ In: J.E. de Quay e.a. (red.), <em>Het Nieuwe Brabant, deel I</em>. ’s-Hertogenbosch: Provinciaal Genootschap.

Van der Plas, M. (1963). <em>Uit het Rijke Roomsche Leven, een documentaire over de jaren 1925-1935</em>. Baarn: Ambo.

Van der Woud, A. (2008). <em>Sterrenstof. Honderd jaar mythologie in de Nederlandse architectuur</em>. Rotterdam: 010 Uitgevers.

Von der Dunk, H. (1990). <em>Cultuur en geschiedenis. Negen opstellen</em>. Den Haag: SDU.

Walravens, J. (1995). ‘Een belangrijk werk vraagt uw aandacht. Het Nieuwe Brabant als getuige van een verleden tijd.’ In: <em>Brabants Heem</em> 47, 125-134.

Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (2006). <em>Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformatie</em>. Amsterdam: AUP.

De auteurs schrijven deze bijdrage op persoonlijke titel.

Financiële steun van regeringswege aan katholieke organisaties hing samen met de bredere betekenis die de overheid toekende aan het kerkgebouw als centrum van de woon- wijk. Van regeringswege werd door de minister van Binnenlandse Zaken in 1955 de commissie Kerkenbouw ingesteld. De commissie conclu- deerde dat er behoefte bestond aan subsidiëring van de stichtingskosten van kerken en pastorie- en. De uit deze conclusie voortkomende Wet Pre- mie Kerkenbouw werd op 29 november 1962 van kracht (en liep tot 1972).

Dat blijkt onder meer uit het feit dat de redactie van het Katholiek Bouwblad – het belangrijkste forum voor meningsvorming over katholieke kerkelijke kunst – in 1957 vaststelt, dat een heroriëntatie in de katholieke kerkelijke architectuur in Nederland noodzakelijk is.

De traditionele kerkelijke instituties – zoals de katholieke Kerk – verloren in de jaren zestig en zeventig inderdaad veel leden, maar de vraag is of daarmee alles is gezegd. Vooral ook was sprake van een verandering binnen traditionele kerken. Daarnaast was er nog een andere verandering: steeds meer religieuze gedragingen en opvattingen vonden hun bronnen geheel buiten de traditionele institutie. Steeds duidelijker wordt dat vele vormen van religie zich niet laten vangen in termen van kerk- bezoek of lidmaatschap van traditionele kerken.

De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) is in 2001 gestart met een grootschalig onderzoek naar de architectuur en stedenbouw uit de wederopbouwperiode. Voor meer informatie: www.cultureelerfgoed.nl/monumenten/erfgoedoverzicht-monumenten/wederopbouw-1940-1965.

Interessant is dat dat vooral in Nederland zo lijkt te zijn, omdat in vele andere Europese landen de staat als eigenaar van de kerkgebouwen de verantwoordelijkheid ervoor al had genomen. Wij hebben in het bestek van deze bijdrage niet de ruimte voor een systematische vergelijking, maar die zou zeker eens moeten worden gemaakt.