De beurs

Guus Dix en Pim Klaassen

 

Om de beurs te leren kennen hoeft een econoom de deur niet uit. Hij weet immers al wat hij er aan zal treffen. Er zijn individuele handelaren actief die hun eigenbelang zo goed mogelijk behartigen; ze doen dat door te handelen in producten die van de ‘reële economie’ zijn afgeleid; en het neveneffect van al die transacties is risicospreiding en economische stabiliteit. Wie bereid is zich te laten verrassen, levert een bezoek aan de beurs veel meer op dan een bevestiging van dit standaardbeeld. In dit essay zullen wij dit punt langs historische weg aannemelijk maken. Hiertoe richten wij ons op een drietal ontwikkelingen: de koloniale expansie van de Verenigde Oost­-Indische Compagnie, het carrièrepad van de 19e-e­euwse politiek econoom David Ricardo en een lokale transformatie in de franse aardbeienhandel rond 1980. Op het eerste gezicht hebben die weinig met elkaar te maken. Maar één ding hebben ze met elkaar gemeen. De beursvloer vervult namelijk een hefboomfunctie in de veranderingen en verplaatsingen die zich in elk van deze ontwikkelingen voordoen. Tegelijkertijd zal blijken dat de beurs op haar beurt zelf ook verandert, onder meer door de kennis die ze voortbrengt en de overheidsregulering die greep op haar probeert te krijgen.

Aan de hand van de drie eerder genoemde ontwikkelingen laten we zien hoe de beurs, de overheid en de kennis op en over markten in steeds wisselende constellaties met elkaar bestaan. In de eerste plaats maken we u getuige van de geboorte van de aandelenbeurs in 17e-­eeuws Amsterdam. Wat een contract precies behelst, welke rol onzekerheid speelt en wanneer een transactie als frauduleus moet worden aangemerkt, dat alles moet nog worden uitgevonden. Dat gebeurt op de beursvloer, maar net zozeer in de rechtszaal en de Staten-­Generaal. Vervolgens lopen we met beurshandelaar en politiek econoom David Ricardo mee door Londen. Hij voert ons van de beurs naar het parlement, de studeerkamer en weer terug. Zo wordt duidelijk dat de politieke en intellectuele loopbaan van Ricardo onlosmakelijk verbonden is met zijn succes als stock jobber. In de derde en laatste akte tenslotte storten we ons op de verkoop van aardbeien. Dit blijkt ons al snel via allerlei geknutsel op de financiële markt bij de huidige financiële crisis te brengen.

Door deze aktes na elkaar op te voeren, laten we zien dat de precieze aard van en relaties tussen kennis, macht en markt door de tijd heen steeds verandert.

Tegelijkertijd maakt juist de tijdloosheid van de beurs als heterogene entiteit duidelijk dat het doorsnijden van al die relaties ten gunste van de helderheid van economische modellen niets anders kan opleveren dan een bloedeloze abstractie. Wie de beurs wil begrijpen, moet buiten de gebaande paden treden.

Akte I: Het ontstaan van de aandelenhandel (1602-1611)
In Nederland wordt het eerste beursgebouw in 1611 in gebruik genomen. Daar gaat natuurlijk het een en ander aan vooraf. Want voordat het samenkomen van handelaren in een apart gebouw georganiseerd wordt, moet de handel in aandelen een zekere vlucht genomen hebben. En precies in het decennium tussen de oprichting van de VOC en de institutionalisering van de beurs vindt een interessant proces plaats, een reeks ontwikkelingen en gebeurtenissen waarin de relatie tussen overheid, beurs en kennis wordt verkend.

Het verhaal begint bij de Staten-­Generaal. Zij weet de verschillende, zelf­ standig opererende Voorcompagnieën samen te brengen in een Verenigde Oost­-Indische Compagnie. Willen Nederlanders optimaal profiteren van hun kennis en kunde inzake handel en zeevaart, dan moet men niet onderling concurreren, maar in gezamenlijkheid optrekken tegen de Portugese handelsvloot. Om tegemoet te komen aan de bestaande verhoudingen worden de eigenaars van de voorcompagnieën aangewezen als bewindhebbers. Maar hoewel de Staten­Generaal de voc in het leven roept, heeft ze niet de middelen om volledig op eigen houtje te opereren. En daarom wordt er beslo­ ten om privaat kapitaal aan te trekken in de steden waar een kantoor van de VOC gevestigd is.

Bij de eerste inschrijving in 1602 wordt een bepaling opgenomen die grote gevolgen heeft. Want al staat een aandeel op naam en kan ze pas na twintig jaar verzilverd worden, het gaat wel degelijk om tussentijds verhandelbare aandelen (Petram 2011, p. 24). De koper en verkoper van een aandeel moeten in eigen persoon bij de boekhouder van de voc verschijnen om daar de overdracht te regelen. De transactie is pas voltooid als de boekhouder het aandeel in de boeken overschrijft en het geheel is goedgekeurd door een bewindhebber. De handel in aandelen die zo op gang komt, noopt tot een fysieke verplaatsing van de boekhouding van het Amsterdamse woonhuis van een van de bewindhebbers van de VOC naar het Bushuis even verderop. Maar hoewel de boek­ houder daar zit en de handelswaar er kan worden opgeslagen, is het Bushuis niet de plek waar geïnteresseerden elkaar treffen. De aandelenhandel voegt zich bij de handel in goederen die op dat moment al enige tijd plaatsvindt bij de Nieuwe Brug. Daar kwamen de brieven uit overzeese gebieden binnen en liepen de kooplieden dus niet alleen elkaar tegen het lijf, maar hoorden ze ook de laatste internationale berichten.

In de 17e eeuw was het geen geringe zaak om nieuws te vergaren. Natuurlijk werd de koers bepaald door de vraag naar en het aanbod van aandelen in de VOC; maar vraag en aanbod waren zelf weer onderhevig aan de krakkemikkige berichtgeving over het wel en wee van de vloot. Hoe was de situatie in Indië? Waren er al schepen op weg naar de Amsterdamse haven? Zo ja, hoeveel? En wat brachten ze aan lading mee terug? Het was moeilijk, zo niet onmogelijk, om de juiste antwoorden op al deze vragen te krijgen. De diplomatieke ontwikkelingen die mogelijk relevant waren voor de toekomstige koers van de aandelen werden geheim gehouden; wat de vertegenwoordigers van de VOC wisten, bleef binnenskamers. Informatie die handelaren langs andere weg ter ore kwam, nam meestal de vorm aan van geruchten waar de betrouwbaarheid niet of nauwelijks van te achterhalen viel. Er werd uitgebreid gecorrespondeerd over het wel en wee van de uitgevaren schepen en de situatie in Indië, maar zekerheid was er pas als de specerijen, de stoffen en het aardewerk daadwerkelijk werden uitgeladen en als dividend werden uitgekeerd.

Die onzekerheid had ook zijn voordelen. In ieder geval voor degenen die er misbruik van wilde maken. Of beter gezegd: slim gebruik. Want wat precies als ‘fraude’ gold moest nog nader worden bepaald. Die bepaling liet niet lang op zich wachten. Want met de snelle opmars van de aandelenhandel werden ook de eerste gevallen van ‘oneigenlijk handelen’ beter onderzocht. Zo probeert een groep handelaars de koers van VOC-aandelen te beïnvloeden door het in omloop brengen van slechte berichten. Ze hebben eerder aandelen verkocht die nog niet in hun bezit zijn en hopen dat de onrust op de markt voor een flinke koersdaling zal zorgen. Pas als dat het geval is, slaan ze gezamenlijk goedkope aandelen in om hun belofte aan de kopers na te komen.

De bewindhebbers van de VOC hebben deze strategie echter door en vragen om steun van hogerhand. In een rekest gericht aan de Staten van Holland en aan de Staten­-Generaal werd gevraag om strengere regels rondom de registratie van de handel in aandelen zodat men beter kon toezien op het ordelijke verloop van de transacties. Ook de handelaren laten zich niet onbetuigd. Een aantal van hen neemt, eveneens in een rekest, het VOC-­beleid voor het eerst openlijk op de korrel. Er was kritiek op het gebrek aan transparantie van de bewindhebbers over de financiële situatie waarin de VOC verkeerde; op het door elkaar heen lopen van commerciële en militaire doelen; en op het feit dat aandeelhouders geen enkele zeggenschap hadden over de koers van een onderneming waar ze hun geld in gestoken hadden. In het licht van zulke praktijken, is het niet kies een selecte groep handelaren op mogelijke koers­ schommelingen aan te spreken. Nadat beide partijen gehoord zijn, doet de Staten­-Generaal uitspraak – en wel in het voordeel van de bewindhebbers (Petram 2011, p. 63). Zo ontstaan de eerste vormen van regulering waarbij men een onderscheid aanbrengt tussen de legale handel in opties en de illegale handel in afgeleide producten als ‘verkopen in blanco’s’, de voorloper van de shorts waar tegenwoordig zo veel om te doen is. Belangrijker nog dan de nieuwe regelgeving – die in de praktijk maar een gering effect sorteerde – is de jurisprudentie die aan de hand van rechtszaken ontstaat. Het volgende geval is illustratief. In 1610 krijgt een handelaar te horen dat een van zijn aandelen geblokkeerd is. Dat aandeel heeft hij gekocht van iemand die samen met een frauderende boekhouder van de VOC valse aandelen uitgaf. Achter die eenvoudige overeenkomst blijkt een groot aantal niet geregistreerde transacties te bestaan. In een reeks zittingen wordt die hele keten van transacties teruggelopen tot men uiteindelijk bij de laatste handelaar uitkomt die het aandeel direct van de fraudeur heeft gekocht. Omdat laatstgenoemde de stad ontvlucht is, blijft hij met het waardeloze aandeel zitten. Vervelend voor de gedupeerde, maar buitengewoon verhelderend voor iedereen die daarna de beurs betrad. Waar je in een transactie vanuit kon gaan en wat je expliciet af moest spreken, was nu beter gearticuleerd dan voorheen (Petram 2011, pp.76 & 93).

Wat de bovenstaande gebeurtenissen bovenal laten zien is dat enige helderheid over de rollen van staat, beurs en kennis niet op voorhand te krijgen is; die helderheid is het eindpunt van een proces dat voor alle betrokkenen onvoorziene wendingen kreeg. Geen overheidsfunctionaris kon in 1602 de hoge vlucht van de aandelenhandel zien aankomen; geen investeerder of bewindhebber wist op voorhand al hoe juridische geschillen uit zouden vallen; en ook welke informatie je kon verkrijgen en mocht verspreiden was aan verandering onderhevig. Wat beurs en overheid precies met elkaar van doen hebben en hoe de relatie tussen beiden bemiddeld worden door kennis, dat is iets waar men in de loop van de tijd uit moet komen. Een lerende overheid ontmoet een lerende markt.

Akte II: David Ricardo (1793-1823)
Nadat de handel in aandelen eenmaal goed van de grond is gekomen, duurt het niet lang voordat de grote Europese steden hun eigen beursgebouw krijgen. Voor David Ricardo is de beurs in London even vertrouwd als de synagoge waar hij religieus onderricht krijgt. Als zoon van een Joodse beurshandelaar is hij er kind aan huis. In 1793 raakt Ricardo gebrouilleerd met zijn ouders – hij trouwde met een protestantse vrouw – en gaat hij zelfstandig opereren als stock jobber – dat wil zeggen, als tussenpersoon die op dagelijkse basis in aandelen handelt. Op 14 oktober 1816 stuurt hij zijn vriend Robert Malthus een brief met een uiteenzetting over de verhouding tussen lonen en winsten. Hij voelt de noodzaak om zich te verontschuldigen: ‘Ik schrijf je te midden van de herrie van de beurs en ben bang dat ik nog onduidelijker ben dan anders’ (Ricardo 1962, letter 184). Alhoewel ze hier als excuus dient voor een mogelijk troebele analyse, heeft de beurs Ricardo in de voorgaande decennia geen windeieren gelegd. Waar hij nu wordt gerekend tot de grondleggers van de economische wetenschap, was hij voorafgaand aan de publicatie van zijn Principles of Political Economy (1817) vooral bekend als een uiterst succesvolle beurshandelaar. En wie Ricardo’s latere politieke en intellectuele carrière wil begrijpen, komt onvermijdelijk weer bij de beurs uit.

Rond 1800 worden er op de London Stock Exchange vrijwel alleen overheids­ papieren verhandeld. Meestal ging het dan om zogenaamde ‘consols’. Een ‘consol’ is een raar soort financieel product. Het gaat om een aandeel dat maar drie procent rente per jaar oplevert, terwijl de courante rente elders al gauw boven de vijf procent lag. Om toch vraag te creëren voor de consols werden ze altijd ‘met korting’ aangeboden. Stel dat een consol zestig pond waard was – op een niet nader bepaald moment van terugbetalen – dan werd ze voor veertig pond aangeboden om de gederfde rente­inkomsten te compenseren. Op die manier dacht de overheid minder geld aan rente kwijt te zijn, maar moesten er wel veel meer aandelen worden uitgegeven om het benodigde bedrag bij elkaar te krijgen. In de aandelenportefeuille van Ricardo zitten lange tijd vrijwel alleen dergelijke consols.

Na vijftien jaar handel komt er verandering in het soort transacties dat Ricardo aangaat. In 1807 krijg hij namelijk iets gedaan wat nog geen beurs­ handelaar eerder is gelukt. Samen met twee collega’s tekent hij in op een overheidslening van ruim veertien miljoen pond. Als de overheid geld nodig had, dan gunde ze de lening aan de financiële dienstverlener die haar het voordeligst van dienst kon zijn. Dat beurshandelaren zich voor dit soort procedures inschreven gebeurde wel vaker; dat ze de lening ook daadwerkelijk kregen toegewezen niet. Er is in die tijd een vrij strikte scheiding – en een wederzijds wantrouwen – tussen beurs en bank. En het zijn de banken die steeds aan het langste eind trokken als het om het aantrekken van geld voor de overheid gaat. Dat betekent niet dat beurshandelaren volledig aan de zijlijn staan. Zo komen ze wel voor op de lijsten van onderaannemers die banken mee moeten sturen om de aanvraag gegund te krijgen, maar als puntje bij paaltje komt, is het ook dan maar afwachten wat er van de gemaakte afspraken terechtkomt. Het is gebruikelijk dat de bankiers eerst zo goed mogelijk voor zichzelf zorgen en alleen voor het resterende bedrag bij de beurshandelaren aankloppen – wat de officiële overeenkomst ook was. In beide praktijken komen in 1807 de eerste barstjes. Niet alleen krijgen Ricardo en zijn medeaanvragers de lening toegewezen, iedereen krijgt ook precies dat deel van de lening waar ze op ingeschreven hadden. Om hun dank te betonen aan zijn handelsmoraal, krijgt Ricardo een zilveren vaas cadeau met de namen van alle handelaren die van het succes konden meeprofiteren (Henderson 1997, pp. 218­19).

Na een paar leningen te zijn misgelopen, hoort Ricardo vanaf 1811 weer meerdere keren bij de gelukkigen. En dat brengt hem uiteindelijk ook zijn grootste succes. Aan de vooravond van de slag bij Waterloo in 1815 krijgt hij de taak toegewezen om zesendertig miljoen pond voor de Britse regering bij elkaar te brengen. De voorwaarden zijn gunstig, want na de miraculeuze terug­ keer van Napoleon is het geloof in een overwinning van het Engelse leger op een dieptepunt. Maar als het leger van Engelsen, Nederlanders en Pruissen gezamenlijk de genadeslag toebrengen aan het Napoleontische leger, is het vertrouwen onder investeerders ineens weer terug en stijgt de vraag naar overheidspapieren explosief. Het resultaat van alle transacties tezamen is ver­ bluffend. In een kleine dertig jaar weet Ricardo van zijn bescheiden startkapitaal een enorm fortuin te maken. Als hij in 1823 plotseling sterft laat hij een erfenis na van, omgerekend naar de huidige waarde, veertig miljoen pond.

Op verschillende manieren fungeert de beurs voor Ricardo als hefboom: in ruimtelijke, wetenschappelijke én politieke zin. De meest voor de hand liggende verplaatsing die de beurs Ricardo oplevert is ‘geografisch’ van aard. Ricardo’s carrière op de beurs wordt mooi weerspiegeld in zijn ruimtelijke verplaatsing door stad en land. Na de breuk met zijn ouders komen de Ricardo’s in Lambeth terecht. Lambeth is eind 18e eeuw een rurale buitenwijk van Londen een dik uur lopen van de beurs; de krottenwijk waar het armste deel van Londen huist, ligt op een steenworp afstand. Tien jaar later verhuist het gezin naar East End – de wijk waar Ricardo opgroeide. Weer een decennium later gaat het hem zo voor de wind dat hij een compleet landgoed kan kopen dat vergezeld gaat van een vast jaarinkomen van 28.000 pond. Ruimtelijke en sociale verplaatsing gaan uiteraard hand in hand. In 1793 weet Ricardo niet of het startkapitaal wel voldoende zal zijn om vrouw en kinderen te onderhouden; in 1823 is hij ‘maatschappelijk gearriveerd’ en behoort tot de meest succesvolle handelaars van zijn generatie.

Naast een ruimtelijke en sociale hefboom, biedt de beurs voor Ricardo ook een intellectuele opwaardering. Gegeven zijn voorkeur voor algemene principes en zijn deductieve werkwijze, lijkt Ricardo de ideaaltypische armchair theorist: iemand die zijn abstracte theorieën af en toe verluchtigt met een veel voorkomende ‘observatie’ waar iedereen zich direct iets bij voor kan stellen. Het enige geschilderde portret van Ricardo, waarbij hij vanuit een leunstoel de toeschouwer aankijkt, doet dat beeld natuurlijk ook geen kwaad. Maar de korte schets van zijn loopbaan laat echter zien dat er meer is dan algemeenheid en deductie. Zonder de beurs kun je een aantal kernpunten uit zijn theoretische verhandeling niet goed begrijpen. Een van de sleutelmetaforen uit de Principles is die van de vloeibaarheid van economische processen. Het staat vol met opmerkingen over snelle aanpassingen op de markt; over kapitaal dat uit de ene sector onttrokken wordt en in een andere, meer winstgevende sector wordt geïnvesteerd (Ricardo, 1996, pp. 37, 83, 89 & 262). Nu was Ricardo nooit direct betrokken bij dat soort investeringen; hij was een beurshandelaar, geen ondernemer. Maar de rusteloosheid van kapitaalkrachtigen om het meeste uit hun geld te halen, daar moet hij op de beurs toch voldoende ervaring mee hebben opgedaan. Als je van die drijfveer uitging, dan kon een verschil in winstgevendheid tussen verschillende sectoren van de economie toch nooit lang blijven bestaan? En daarmee komen we direct op een ander epistemologisch effect van Ricardo’s ervaringen op de beurs, en wel op het onderscheid tussen lange termijn en korte termijn. Volgens zijn latere biograaf, Henderson, had Ricardo geen gouden formule voor zijn handelen op de beurs. Wel had hij een bepaald inzicht waar hij op vertrouwde: handelaren zijn geneigd om de huidige gebeurtenissen een groter gewicht toe te kennen dan ze verdienen. Hoe ingrijpend ook, op de lange termijn zal blijken dat de grootste hypes van dit moment minder effect sorteren dan verwacht (Henderson, 1997, pp. 214­15). Die neiging om als handelaar over het heden heen te kijken naar wat er op de langere termijn gebeurt, geeft Ricardo een prominente plek in zijn theoretische werk. Bij veel van de mogelijke tegenwerpingen op de wetten en regelmatigheden die Ricardo ontdekt denkt te hebben, verzucht hij: ‘dat is maar van korte duur’ (Ricardo, 1996, pp. 82­83). Men moet niet zo veel waarde hechten aan een slechte oogst of een oorlog. Een wetenschappelijk systeem hoeft met dat soort tijdelijke interrupties geen rekening te houden; als de overkoepelende tendensen maar juist worden ingeschat.

Tot slot is de beurs ook een politieke hefboom. Ze biedt Ricardo de mogelijkheid om zich tussen 1819 en 1823 over parlementaire politiek te buigen. Daar zit overduidelijk een materiële kant aan. In een tijd waarin je je zetel in het parlement nog moest kopen, biedt de op de beurs behaalde winst Ricardo de mogelijkheid tienduizend pond te betalen voor het vertegenwoordigen van een Ierse provincie waar hij nooit geweest is. Maar met die materiële mogelijkheidsvoorwaarde zijn we er nog niet. De ervaringen die hij op de beurs opdoet, stellen Ricardo ook in staat om voor (geheime) commissies te verschijnen die door de Britse regering worden aangesteld. Als ervaringsdeskundige wordt hij gevraagd om specifieke beleidsmaatregelen van inhoudelijk commentaar te voorzien.

Kortom, als we Ricardo vanaf zijn jonge jaren als beurshandelaar volgen op zijn levenspad, dan komen we uiteindelijk bij veel meer plekken in Londen uit dan we konden vermoeden. We doen verschillende woonhuizen aan die zijn stijging op de maatschappelijke ladder materieel gestalte geven, bezoeken het parlement en de achterkamertjes waar hij zich actief roerde in de debat­ ten van zijn tijd, en treffen hem aan achter de schrijftafel waar zijn beurs­ ervaringen doorsijpelen in de manier waarop hij van de markt een object van kennis maakt. De beurs mag dan een uiterst rumoerige plek zijn om je correspondentie te onderhouden, als maatschappelijke, politieke en intellectuele hefboom kan ze zonder meer aanbevolen worden.

Akte III: Het ABC van de hedendaagse beurs
Ricardo is een van de grondleggers van wat nu onder economische wetenschap verstaan wordt, en zijn naam is net als die van bijvoorbeeld Adam Smith en Milton Friedman verknoopt geraakt met het idee van de vrije of perfecte markt. Dat wil zeggen, een markt waar gehandeld wordt in homogene goederen (‘homogeniteit’), waar lage toegangs­ en exit barrières gelden (‘fluïditeit’), gestreden wordt door kopers en verkopers met vrijwel volledige kennis van de kwantiteiten en prijzen in kwestie (‘transparantie’), en waarin het ontbreekt aan één speler die de prijs naar eigen hand kan zetten (‘atomiciteit). Dit is een markt waarvan sociologen en antropologen doorgaans de realiteit betwisten, waarvan zij beweren dat deze alleen in theoretische modellen gerealiseerd kan worden. Maar deze markt van de economische theorie kan wel degelijk in levende lijve aanschouwd worden. Sterker: hij komt direct in beeld wanneer we dit ABC van de hedendaagse beurs beginnen met de A van aardbeien. Sinds 1981 wordt in het Franse Fontaines­-en-­Sologne in een perfecte markt in aardbeien gehandeld – en lijken aardbeien dus het ongelijk van de sociologen en antropologen te bewijzen. Dat wil zeggen, bij benadering, en eigenlijk ook dat alleen gedurende de eerste periode waarin de nieuwe, gecomputeriseerde aardbeienveiling te Fontaines-­en-­Sologne dienst deed (Garcia­Parpet, 2007).

Sociale verschijnselen vormen geen obstakel voor het functioneren van deze perfecte markt. Integendeel: zonder sociale verschijnselen mee te nemen, kunnen we helemaal niet begrijpen hoe deze tot stand gekomen is. Het was geen onzichtbare hand die deze markt gebouwd heeft, maar de zichtbaar met economische tekstboek­kennis uitgeruste hand van een betrokken economisch adviseur van de lokale afdeling van de Kamer van Landbouw. Deze adviseur vond al snel uit dat aardbeienproducenten belang hadden bij een organisatie van de aardbeienverkoop waarbij de invloed van vervoerders op de prijs zou verkleinen. Zodoende werd een directe confrontatie tussen kopers en verkopers gerealiseerd in de vorm van een gecomputeriseerde veiling, waarbij, de architectuur van het nieuw ontworpen veilinghuis onder meer voorzag in de anonimiteit van kopers en verkopers.

Kennis speelt hier op een wel heel uitgesproken manier een rol – een manier die in de laatste jaren wel aangeduid is met het taalfilosofische begrip performativiteit. Taal, zo luidde het argument in haar oorspronkelijke context, kan niet alleen gebruikt worden om weergaven van de werkelijkheid te schetsen, ze kan ook gebruikt worden om die werkelijkheid mee te veranderen. In de context van het onderzoek naar de relatie tussen economische wetenschap en economische werkelijkheid, betekent dit dat de wetenschap in kwestie niet zomaar afbeeldingen van de economische werkelijkheid voortbrengt, maar ingrijpt in die werkelijkheid. En inderdaad is het duidelijk dat in het geval van deze aardbeienmarkt kennis van de manier waarop in de economische wetenschap markten worden voorgesteld op niet mis te verstane wijze bij­ gedragen heeft aan de inrichting van deze markt. Wanneer we deze perfecte markt willen begrijpen, kunnen we dus niet om de verwevenheid van die markt met kennis en lokale regulering heen. Voor zover lokaal beschikbare kennis en de autoriteit van de Kamer van Landbouw gezien kunnen worden als sociale verschijnselen – en hoe moeten we ze anders zien? – moeten we concluderen dat economen hun perfecte markt niet ondanks sociale factoren gerealiseerd zien worden, maar dankzij dergelijke factoren.

Maar waar Garcia-­Parpets initiële onderzoek uit 1986 uitwees hoe de perfecte markt van de economie door lokale aardbeientelers en afnemers was gerealiseerd in de vorm van een gecomputeriseerde veiling, daar bleek bij veldwerk ter plaatse ruim tien jaar later dat het toch wat veel gevraagd is van echte mensen om voor langere tijd naar het ideaalbeeld van economen te blijven leven. De onderlinge strijd tussen producenten en vervoerders was inmiddels gaan liggen, terwijl deze nog geen twintig jaar ervoor bij de aardbeienproducenten aanleiding was geweest voor het opzetten van het nieuwe marktsysteem. Gegeven dat beide een nieuwe gemeenschappelijke vijand hadden gekregen in de vorm van grote detaillisten die vanuit centrale inkoopkantoren met de producenten trachtten te onderhandelen, was de onderlinge relatie tussen producenten en vervoerders meer georiënteerd geraakt op solidariteit. De perfecte markt van de economen, in andere woorden, was weer wat meer gaan lijken op de markten die we kennen uit de sociologische en antropologische literatuur. Wat we zien als we een beetje afstand nemen, is dat het performatieve effect van de economische kennis op de aardbeienmarkt maar tijdelijk van aard was. Dit neemt niet weg dát er een intrinsieke, want niet weg te denken relatie bestaat tussen economische kennis en economische praxis. Immers, ook de niet-­meer-­helemaal-­perfecte markt die er later kwam, had er zonder die kennis niet zo uitgezien. Deze korte casestudie toont aan dat van de conceptuele instrumenten van de wetenschapsonderzoeker vooral niet verwacht mag worden dat het wondermiddelen zijn die leiden tot voorspelbare en generieke conclusies. De merites van dergelijke begrippen dient keer op keer in lokale omstandigheden getest te worden.

En dit wordt ook vaak gedaan. Zo beargumenteren Engelen et.al. bijvoorbeeld dat de verworvenheden van de economische wetenschap die hun weg gevonden hebben naar de financiële markt in geen geval begrepen kunnen wor­den als een blauwdruk voor financieel economisch handelen (2012). In plaats daarvan moeten de theorieën, modellen en formules die de economische wetenschap aflevert, begrepen worden als grondstoffen, die te midden van tal van andere zaken een plek krijgen in bedrijfsstrategieën.

Hiermee zijn we direct bij de tweede letter van ons alfabet van de hedendaagse beurs aangekomen, namelijk de B van bricoleur. Bricolage is een term die Engelen et.al. in navolging van Lévi­-Strauss gebruikt om de aard van innovatief werk op financiële markten te karakteriseren (2012: 365). Het betreft improviserend aanrommelen met ongelijksoortige gebeurtenissen en materialen. Tot zulke materialen kunnen we bijvoorbeeld ook de wiskundige modellen rekenen die deel uitmaken van het instrumentarium van iedere hedendaagse beurshandelaar, zoals bijvoorbeeld David Stark laat zien (2009, p. 124­5). Omdat alle partijen die op de financiële markt met elkaar strijden de beschikking heb­ ben over dezelfde informatie en dezelfde modellen, kan het feit dat de één meer winst maakt dan de ander niet begrepen worden op basis van de kwaliteit van die modellen. Waar het om gaat is dat die modellen verschillende interpretaties toestaan, en dat op lokaal niveau betere of slechtere interpretatieve gemeenschappen gesmeed worden. Dat wil zeggen, het is een uitdaging voor handels­ kantoren in de financiële sector om met de ervaring van de lokaal beschikbare handelaars en hun instrumenten succesvolle interpretaties tot stand te brengen. Dergelijke succesvolle interpretaties hebben het karakter van bricolage.

Dit brengt ons terug naar het probleem van het bestuur van markten, en daarmee zijn we beland bij de C van crisis. Immers, de vraag naar bestuur lijkt urgenter dan ooit in deze tijd van financiële crisis. Juist omdat bricolage de manier is waarop innovatie op de financiële markt plaatsvindt, wordt duidelijk dat de crisis waar de wereldwijde economie nu al vijf jaar onder gebukt gaat bij uitstek een probleem is dat niet met een eenvoudige technical fix opgelost kan worden. De alomtegenwoordigheid van bricolage impliceert dat pogingen tot regulering van de financiële markt nooit als externe voorwaarde voor of inperking op het functioneren van die markt zullen functioneren. Reguleringspogingen worden gewoonweg zaken te midden van andere zaken die evengoed gebruikt kunnen en zullen worden bij het aanrommelende innoveren. Net als allerlei economisch­wetenschappelijke theorieën en modellen, is overheidsregulering in zekere zin een onderdeel van de financiële markt, in plaats van een daar buiten staande en zelfstandige werkelijkheid.

Voorbij de uitvlucht
Wie de verstrengeling tussen markt, staat en kennis niet legitiem acht, kan natuurlijk verschillende uitvluchten kiezen. Een van de meer gebruikelijke is de ‘historiserende uitvlucht’. Wie daarvoor kiest, beschouwt overheids­bemoeienis met de beurs als typisch iets van het verleden – een verleden waar­ in men geen beschikking had over ‘de kennis van nu’. Dat de net opgerichte republiek iets met de aandelenhandel te maken had is al erg genoeg, maar op het moment dat de beurs stevig op de rails staat en de kinderziekten ont­ groeid is, gaat ze haar eigen weg en heeft ze de overheid nauwelijks nog nodig. De laatste moet zich dan beperken tot het in stand houden van minimale voorwaarden zoals het beschermen van eigendom en het handhaven van contracten. Interveniëren in het dagelijkse doen en laten van beurshandelaren is volstrekt onnodig – contraproductief zelfs.

Die historiserende uitvlucht leidt al snel tot een conceptuele uitvlucht waar­ in de markt per definitie het meest efficiënte allocatiemechanisme is, en de beurs exemplarisch voor het functioneren van marktsystemen. Het is zelfs de meest transparante en vloeibare versie van de markt, waarin de kleinste onevenwichtigheden worden gladgestreken. Door de onderlinge rivaliteit van de spelers in kwestie wordt van alle beschikbare informatie gebruik gemaakt, met een optimale verdeling van goederen als resultaat. Geen centrale overheid die daar iets aan kan verbeteren.

Dit idee van autonoom opererende markten in het algemeen, en beurzen in het bijzonder, komt in hedendaagse perspectieven op beiden veelvuldig naar voren. Volgens de Amerikaanse politicoloog Bernard Harcourt is het zelfs een van de gemeenplaatsen die door de huidige economische wetenschap actief in stand gehouden wordt. Als iets voor ons de ‘vrije markt’ symboliseert, dan is het wel de beurshandel; en als iets voor ons symbool staat voor ‘discipline’ dan is het wel de omgang met markten in de 17e en 18e eeuw.

Maar wat betekent het eigenlijk om de wereld waar te nemen met behulp van zulke schijnbaar eenvoudige categorieën als ‘vrijheid’ en ‘discipline’? We maken een karikatuur van het verleden, dat is zeker. Maar belangrijker nog, het verhult dat de beurs ook momenteel nog met tal van actoren in allerlei onverwachte relaties verwikkeld is. De vraag die Harcourt opwerpt, is in hoe­ verre het door elkaar lopen van heterogene elementen uniek is voor de vroeg­ moderne tijd of gewoonweg een tijdloos aspect is van beurzen en markten. De drie bovenstaande akten helpen ons een lans te breken voor het laatste. Het opgeven van de gekunstelde ‘trichotomie’ van markt, staat en kennis le­ vert wellicht geen wiskundige modelllen en harde feiten op, maar brengt wel het constructiewerk in beeld van de bricoleurs die gezamenlijk iets tot stand brengen dat nog het meest doet denken aan een monster – een meervoudig, hybride wezen dat de analist langs onvermoede plaatsen leidt.

Literatuur

Engelen, E., I. Ertürk, J. Froud, S. Johal, A. Leaver, M. Moran & K. Williams (2012). ‘Misrule of experts? The financial crisis as elite debacle’, in: Economy and Society, 31(3), p. 360-382.

Garcia-Parpet, M.-F. (2007). ‘The social construction of a perfect market: the strawberry auction at Fontaines-en-Sologne’, in: Do Economists Make Markets? On the Performativity of Economics, eds. D. MacKenzie, F. Muniesa & L. Siu Princeton (NJ): Princeton University Press, p. 20–53.

Harcourt, B. (2011). The Illusion of Free Markets. Punishment and the Myth of Natural Order. Cambridge (MA): Harvard University Press.

Henderson, J.P. (1997). The Life and Economics of David Ricardo. Boston / Dordrecht: Kluwer Academic Publishers.

Petram, L. (2011). De bakermat van de beurs: hoe in zeventiende-eeuws Amsterdam de aandelenhandel ontstond. Amsterdam: Atlas-Contact.

Ricardo, D. (1962). The Works and Correspondence of David Ricardo, Volume VII: Letters 1816–1818. Cambridge: Cambridge University Press.

Ricardo, D. (1996 [1817]). Principles of political economy and taxation. New York: Prometheus Books.

Stark, D. (2009). The Sense of Dissonance: Accounts of Worth in Economic Life. Princeton: Princeton University Press.